Spreuken 14:31
Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.
Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
16Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.
5Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.
20De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers des rijken zijn vele.
21Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.
3Een arm man, die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zodat er geen brood zij.
17Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
8Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengene, die zich des armen ontfermt.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
22Beroof den arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel den ellendige niet in de poort.
7De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet.
27Die den armen geeft, zal geen gebrek hebben; maar die zijn ogen verbergt, zal veel vervloekt worden.
13Die zijn oor stopt voor het geschrei des armen, die zal ook roepen, en niet verhoord worden.
6Maar gij hebt den armen oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken zij u niet tot de rechterstoelen?
6Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de HEERE zijn Toevlucht is.
18Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden.
6De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.
19Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.
8Het voordeel des aardrijks is voor allen: de koning zelfs wordt van het veld gediend.
13De arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de HEERE verlicht hun beider ogen.
14Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.
16Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden.
16Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.
9Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood den armen gegeven.
6Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak.
15Hij zal den ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hunlieder oor openbaren.
19Omdat hij onderdrukt heeft, de armen verlaten heeft, een huis geroofd heeft, dat hij niet opgebouwd had;
23De arme spreekt smekingen; maar de rijke antwoordt harde dingen.
2De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.
15Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring.
15De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weder loopt.
16Een vorst, die van alle verstand gebrek heeft, is ook veelvoudig in verdrukkingen; maar die de gierigheid haat, zal de dagen verlengen.
2Rijken en armen ontmoeten elkander; de HEERE heeft hen allen gemaakt.
8Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet.
6Hij laat den goddeloze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt Hij.
3Doet recht den arme en den wees; rechtvaardigt den verdrukte en den arme.
9Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.
11Daarom, omdat gij den arme vertreedt en een last koren van hem neemt, zo hebt gij wel huizen gebouwd van gehouwen steen, maar gij zult daarin niet wonen; gij hebt gewenste wijngaarden geplant, maar gij zult derzelver wijn niet drinken.
21Laat den verdrukte niet beschaamd wederkeren; laat den ellendige en nooddruftige Uw Naam prijzen.
7De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht.
11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
7De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.
7Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt;
28Opdat Hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhore.
23Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.
12Verdrukt den ellendige en den nooddruftige, rooft veel roofs, geeft het pand niet weder, en heft zijn ogen op tot de drekgoden, doet gruwel;
4Hoort dit, gij, die den nooddruftige opslokt! en dat om te vernielen de ellendigen des lands;
3Ook zult gij den geringe niet voortrekken en zijn twistige zaak.
7Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broederen, in een uwer poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broeder, die arm is;
2Om de armen van het recht af te wenden, en om het recht der ellendigen Mijns volks te roven, opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de wezen mogen plunderen!
4In wiens ogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen, die den HEERE vrezen; heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet;