Psalmen 113:7
Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt;
Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6De HEERE doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen.
7De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.
8Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen den stoel der ere doe beerven; want de grondvesten des aardrijks zijn des HEEREN, en Hij heeft de wereld daarop gezet.
8Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.
40Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
41Maar Hij brengt den nooddruftige uit de verdrukking in een hoog vertrek, en maakt de huisgezinnen als kudden.
5Wie is gelijk de HEERE, onze God? Die zeer hoog woont.
6Die zeer laag ziet, in den hemel en op de aarde.
6De HEERE houdt de zachtmoedigen staande; de goddelozen vernedert Hij, tot de aarde toe.
11Om de vernederden te stellen in het hoge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden.
52Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd.
6Want de HEERE is hoog, nochtans ziet Hij de nederige aan, en den verhevene kent Hij van verre.
29Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God den nederige van ogen behouden.
12Want hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.
13Hij zal den arme en nooddruftige verschonen, en de zielen der nooddruftigen verlossen.
14Samech. De HEERE ondersteunt allen, die vallen, en Hij richt op alle gebogenen.
12Sta op, HEERE God! hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet.
5Want Hij buigt de hooggezetenen neder, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken.
6De voet zal ze vertreden, de voeten des ellendigen, de treden der armen.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
10Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen.
5Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?
10Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten.
31Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.
7Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn;
9Maar de broeder, die nederig is, roeme in zijn hoogheid.
4Hij zal de ellendigen des volks richten; hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en den verdrukker verbrijzelen.
15Maar Hij verlost den behoeftige van het zwaard, van hun mond, en van de hand des sterken.
13De arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de HEERE verlicht hun beider ogen.
14Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.
8De HEERE opent de ogen der blinden; de HEERE richt de gebogenen op; de HEERE heeft de rechtvaardigen lief.
28En Gij verlost het bedrukte volk; maar Uw ogen zijn tegen de hogen, Gij zult hen vernederen.
4Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen versteken zich de ellendigen des lands.
3Doet recht den arme en den wees; rechtvaardigt den verdrukte en den arme.
4Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.
15Hij zal den ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hunlieder oor openbaren.
33De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.
15Dan zal de gemene man nedergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen der hovaardigen zullen vernederd worden.
19Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.
27Bij den reine houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar.
8Het voordeel des aardrijks is voor allen: de koning zelfs wordt van het veld gediend.
17Als de HEERE Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn,
10Al mijn beenderen zullen zeggen: HEERE, wie is U gelijk! U, Die den ellendige redt van dien, die sterker is dan hij, en den ellendige en nooddruftige van zijn berover.
6Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de HEERE zijn Toevlucht is.
12Want ik bevrijdde den ellendige, die riep, en den wees, die geen helper had.
2Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.
29Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.
19En de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben in den HEERE; en de behoeftigen onder de mensen zullen zich in de Heilige Israels verheugen.
17Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
21Laat den verdrukte niet beschaamd wederkeren; laat den ellendige en nooddruftige Uw Naam prijzen.