Psalmen 75:7
Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn;
Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6De HEERE doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen.
7De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.
8Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen den stoel der ere doe beerven; want de grondvesten des aardrijks zijn des HEEREN, en Hij heeft de wereld daarop gezet.
6Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals.
6De HEERE houdt de zachtmoedigen staande; de goddelozen vernedert Hij, tot de aarde toe.
8Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.
11Om de vernederden te stellen in het hoge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden.
24Hij vermorzelt de geweldigen, dat men het niet doorzoeken kan, en stelt anderen in hun plaats.
25Daarom dat Hij hun werken kent, zo keert Hij hen des nachts om, en zij worden verbrijzeld.
7Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt;
8Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.
6Hij laat den goddeloze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt Hij.
7Hij onttrekt Zijn ogen niet van den rechtvaardige, maar met de koningen zijn zij in den troon; daar zet Hij hen voor altoos, en zij worden verheven.
23Die de vorsten te niet maakt; de richters der aarde maakt Hij tot ijdelheid.
8Het voordeel des aardrijks is voor allen: de koning zelfs wordt van het veld gediend.
29Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God den nederige van ogen behouden.
14Samech. De HEERE ondersteunt allen, die vallen, en Hij richt op alle gebogenen.
21Want Hij verandert de tijden en stonden; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen; Hij geeft den wijzen wijsheid, en wetenschap dengenen, die verstand hebben;
52Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd.
7O vijand! zijn de verwoestingen voleind in eeuwigheid, en hebt gij de steden uitgeroeid? Hunlieder gedachtenis is met hen vergaan.
8Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.
22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.
8Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.
9De HEERE zal den volken recht doen; richt mij, HEERE, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtigheid, die bij mij is.
10Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen.
1Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering Godes; Hij oordeelt in het midden der goden;
48De God, Die mij volkomene wraak geeft, en de volken onder mij nederwerpt;
19Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om.
8Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing!
14Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.
26Velen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE.
4Een koning houdt het land staande door het recht; maar een, die tot geschenken genegen is, verstoort hetzelve.
14Geniet het goede ten dage des voorspoeds, maar ten dage des tegenspoeds, zie toe; want God maakt ook den een tegenover den ander, ter oorzake dat de mens niet zou vinden iets, dat na hem zal zijn.
1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
5Want Hij buigt de hooggezetenen neder, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken.
15Dan zal de gemene man nedergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen der hovaardigen zullen vernederd worden.
13De HEERE stelt Zich om te pleiten, en Hij staat, om de volken te richten.
26Alzo zegt de Heere HEERE: Doe dien hoed weg, en hef dien kroon af, deze zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhogen dien, die nederig is, en vernederen dien, die hoog is.
2Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.
35Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten;
17Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.
9De HEERE bewaart de vreemdelingen; Hij houdt den wees en de weduwe staande; maar der goddelozen weg keert Hij om.
17Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.
6En hij zeide tot de richters: Ziet wat gij doet, want gij houdt het gericht niet den mens, maar den HEERE; en Hij is bij u in de zaak van het gericht.
6De HEERE doet gerechtigheid en gerichten al dengenen, die onderdrukt worden.
2Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen.
5Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn;
10Zegt onder de heidenen: De HEERE regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.
21Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt den riem der geweldigen.
6En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.