Psalmen 75:6
Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals.
Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn;
5Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.
6Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;
7Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.
36Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien?
37Mem. Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt?
38Mem. Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?
30Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE.
6Want uit het stof komt het verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde;
22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!
11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
1Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren.
2Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.
9Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.
6Hij zegt in zijn hart; Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn.
26Velen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE.
3En die Hij uit de landen verzameld heeft, van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee.
3Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is.
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
19Zou Hij uw rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn; of enige versterkingen van kracht?
6Opdat men wete, van den opgang der zon en van den ondergang, dat er buiten Mij niets is, Ik ben de HEERE, en niemand meer.
6De HEERE houdt de zachtmoedigen staande; de goddelozen vernedert Hij, tot de aarde toe.
34
6Hij laat den goddeloze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt Hij.
7Hij onttrekt Zijn ogen niet van den rechtvaardige, maar met de koningen zijn zij in den troon; daar zet Hij hen voor altoos, en zij worden verheven.
23Zo zegt de HEERE: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom;
18Want niet die zichzelven prijst, maar dien de Heere prijst, die is beproefd.
19Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.
7De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.
3Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.
22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.
3Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de HEERE is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan.
3Ook zult gij den geringe niet voortrekken en zijn twistige zaak.
10Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen.
17De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.
16Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.
7Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt;
8Het voordeel des aardrijks is voor allen: de koning zelfs wordt van het veld gediend.
29Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde.
11Om de vernederden te stellen in het hoge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden.
3De mens zal niet bevestigd worden door goddeloosheid; maar de wortel der rechtvaardigen zal niet bewogen worden.
19Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.
6Wanneer zijn hoogheid tot den hemel toe opklomme, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte;
12Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.
4De goddeloze, gelijk hij zijn neus omhoog steekt, onderzoekt niet; al zijn gedachten zijn, dat er geen God is.
8En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.
35En al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijn wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde, en er is niemand, die Zijn hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: Wat doet Gij?
25Ik verwek een van het noorden, en hij zal opkomen van den opgang der zon; hij zal Mijn Naam aanroepen; en hij zal komen over de overheden als over leem, en gelijk een pottenbakker het slijk treedt.
22Zie, God verhoogt door Zijn kracht; wie is een Leraar, gelijk Hij?
13God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.