Psalmen 129:8
En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.
En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;
25Och HEERE! geef nu heil; och HEERE! geef nu voorspoed.
26Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden uit het huis des HEEREN.
2Heft uw handen op naar het heiligdom, en looft den HEERE.
3De HEERE zegene u uit Sion, Hij, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.
4Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest.
5De HEERE zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens;
6En gij zult uw kindskinderen zien. Vrede over Israel!
29Zo gij bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleenlijk goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! Gij zijt nu de gezegende des HEEREN!
28Laat hen vloeken, maar zegen Gij; laat hen zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; doch dat zich Uw knecht verblijde.
17De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.
18Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Hallelujah!
21Geloofd zij de HEERE uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah!
2De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.
8Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God; want Gij hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden der goddelozen hebt Gij verbroken. [ (Psalms 3:9) Het heil is des HEEREN; Uw zegen is over Uw volk. Sela. ]
6Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gezegend zult gij zijn in uw uitgaan.
24De HEERE zegene u, en behoede u!
4En ziet, Boaz kwam van Bethlehem, en zeide tot de maaiers: De HEERE zij met ulieden! En zij zeiden tot hem: De HEERE zegene u!
15Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen.
12Toen zeide God tot Bileam: Gij zult met hen niet trekken; gij zult dat volk niet vloeken, want het is gezegend.
25Toen zeide Balak tot Bileam: Gij zult het ganselijk noch vloeken, noch geenszins zegenen.
15Gijlieden zijt den HEERE gezegend, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.
4Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God!
5Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. Sela.
6Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn.
39Want Ik zeg u: Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!
19Gij huis Israels! looft den HEERE; gij huis Aarons! looft den HEERE.
22Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.
11Zegen, HEERE! zijn vermogen, en laat U het werk zijner handen wel bevallen; versla de lenden dergenen, die tegen hem opstaan en hem haten, dat zij niet weder opstaan!
8De HEERE zal den zegen gebieden, dat Hij met u zij in uw schuren, en in alles, waaraan gij uw hand slaat; en Hij zal u zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.
14Dat onze ossen wel geladen zijn; dat geen inbreuk, noch uitval, noch gekrijs zij op onze straten.
15Welgelukzalig is het volk, dien het alzo gaat; welgelukzalig is het volk, wiens God de HEERE is.
18Vervloekt zij, die een blinde op den weg doet dolen! En al het volk zal zeggen: Amen.
3Het is gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Sion, want de HEERE gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in der eeuwigheid.
3Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn in het veld.
6Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.
8Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u!
22De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.
8Wat zal ik vloeken, dien God niet vloekt; en wat zal ik schelden, waar de HEERE niet scheldt?
14Zegent hen, die u vervolgen; zegent en vervloekt niet.
8Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.
5Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn!
6En zult alzo zeggen tot dien welvarende: Vrede zij u, en uw huize zij vrede, en alles, wat gij hebt, zij vrede!
9En die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Hosanna, gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!
19Vervloekt zult gij zijn in uw ingaan, en vervloekt zult gij zijn in uw uitgaan.
7En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.
1Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;
1Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
26De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!
1Een lied Hammaaloth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt.