Numeri 6:24
De HEERE zegene u, en behoede u!
De HEERE zegene u, en behoede u!
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
25De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!
26De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!
27Alzo zullen zij Mijn Naam op de kinderen Israels leggen; en Ik zal hen zegenen.
22En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
23Spreek tot Aaron en zijn zonen, zeggende: Alzo zult gijlieden de kinderen Israels zegenen, zeggende tot hen:
6Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gezegend zult gij zijn in uw uitgaan.
2Heft uw handen op naar het heiligdom, en looft den HEERE.
3De HEERE zegene u uit Sion, Hij, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.
14Zeggende: Waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen.
5De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw Schaduw, aan uw rechterhand.
6De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.
7De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.
19Gij huis Israels! looft den HEERE; gij huis Aarons! looft den HEERE.
4Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest.
5De HEERE zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens;
12De HEERE is onzer gedachtig geweest, Hij zal zegenen; Hij zal het huis van Israel zegenen, Hij zal het huis van Aaron zegenen.
8De HEERE zal den zegen gebieden, dat Hij met u zij in uw schuren, en in alles, waaraan gij uw hand slaat; en Hij zal u zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.
9De HEERE zal u Zichzelven tot een heilig volk bevestigen, gelijk als Hij u gezworen heeft, wanneer gij de geboden des HEEREN, uws Gods, zult houden, en in Zijn wegen wandelen.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
15Gijlieden zijt den HEERE gezegend, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.
3Opdat het u welga, en dat gij lang leeft op de aarde.
3En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.
29Zo gij bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleenlijk goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! Gij zijt nu de gezegende des HEEREN!
17Gij zult de geboden des HEEREN, uws Gods, vlijtig houden, mitsgaders Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen, die Hij u geboden heeft.
2Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige; de HEERE zal hem bevrijden ten dage des kwaads.
26Ziet, ik stel ulieden heden voor, zegen en vloek:
27Den zegen, wanneer gij horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, die ik u heden gebiede;
1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
27Nu dan, het heeft U beliefd te zegenen het huis Uws knechts, dat het in eeuwigheid voor Uw aangezicht zij; want Gij, HEERE, hebt het gezegend, en het zal gezegend zijn in eeuwigheid.
29Zo believe het U nu, en zegen het huis van Uw knecht, dat het in eeuwigheid voor uw aangezicht zij; want Gij, Heere HEERE, hebt het gesproken, en met Uw zegen zal het huis van Uw knecht gezegend worden in eeuwigheid.
9Houdt dan de woorden dezes verbonds, en doet ze; opdat gij verstandelijk handelt in alles, wat gij doen zult.
13En Hij zal u liefhebben, en zal u zegenen, en u doen vermenigvuldigen; en Hij zal zegenen de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, uw koren, en uw most, en uw olie, de voortzetting uwer koeien, en de kudden van uw klein vee, in het land, dat Hij aan uw vaderen gezworen heeft u te geven.
14Gezegend zult gij zijn boven alle volken; er zal onder u noch man noch vrouw onvruchtbaar zijn, ook niet onder uw beesten;
8En onderhoudt Mijn inzettingen, en doet dezelve; Ik ben de HEERE, Die u heilige.
13En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
1Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
2En al deze zegeningen zullen over u komen, en u aantreffen, wanneer gij der stem des HEEREN uws Gods, zult gehoorzaam zijn.
3Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn in het veld.
31Daarom zult gij Mijn geboden houden, en dezelve doen; Ik ben de HEERE!
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
7De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
11De HEERE, uwer vaderen God, doe tot u, zo als gij nu zijt, duizendmaal meer, en Hij zegene u, gelijk als Hij tot u gesproken heeft!
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
12Toen zeide God tot Bileam: Gij zult met hen niet trekken; gij zult dat volk niet vloeken, want het is gezegend.
4En ziet, Boaz kwam van Bethlehem, en zeide tot de maaiers: De HEERE zij met ulieden! En zij zeiden tot hem: De HEERE zegene u!