Numeri 6:23
Spreek tot Aaron en zijn zonen, zeggende: Alzo zult gijlieden de kinderen Israels zegenen, zeggende tot hen:
Spreek tot Aaron en zijn zonen, zeggende: Alzo zult gijlieden de kinderen Israels zegenen, zeggende tot hen:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
24De HEERE zegene u, en behoede u!
25De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!
26De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!
27Alzo zullen zij Mijn Naam op de kinderen Israels leggen; en Ik zal hen zegenen.
22En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
2Spreek tot Aaron, en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels, en zeg tot hen: Dit is het woord, hetwelk de HEERE geboden heeft, zeggende:
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
2Spreek tot Aaron en tot zijn zonen, dat zij zich van de heilige dingen der kinderen Israels, die zij Mij heiligen, afzonderen, opdat zij de Naam Mijner heiligheid niet ontheiligen: Ik ben de HEERE!
8En de HEERE sprak tot Aaron, zeggende:
1En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
19Gij huis Israels! looft den HEERE; gij huis Aarons! looft den HEERE.
16Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
11En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
17Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1En de HEERE sprak tot Mozes, en tot Aaron, zeggende tot hen:
1En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
24En Mozes sprak zulks tot Aaron en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
24Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
19Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
23En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Dit nu is de zegen, met welken Mozes, de man Gods, de kinderen Israels gezegend heeft, voor zijn dood.
33Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
26Daarna sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
12Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
13Dit zijn de hoofden van ieder huis hunner vaderen: de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israel, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van Ruben.
8En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
22Daarna hief Aaron zijn handen op tot het volk, en zegende hen; en hij kwam af, nadat hij het zondoffer, en brandoffer, en dankoffer gedaan had.
17En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
6En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israels spreken zult.
1Zo zeide de HEERE tot Aaron: Gij, en uw zonen, en het huis uws vaders met u, zult dragen de ongerechtigheid des heiligdoms; en gij, en uw zonen met u, zult dragen de ongerechtigheid van uw priesterambt.
8Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
29Want Mozes had gezegd: Vult heden uw handen den HEERE; want elk zal zijn tegen zijn zoon, en tegen zijn broeder; en dit, opdat Hij heden een zegen over ulieden geve!
1Wijders sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
17Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
30Gij zult ook Aaron en zijn zonen zalven, en gij zult hen heiligen, om Mij het priesterambt te bedienen.
23En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
10Ga heen, spreek tot Farao, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels uit zijn land trekken late.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
14Zeggende: Waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
5En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: