Numeri 6:23

Statenvertaling (States Bible)

Spreek tot Aaron en zijn zonen, zeggende: Alzo zult gijlieden de kinderen Israels zegenen, zeggende tot hen:

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 1 Kron 23:13 : 13 De kinderen van Amram waren Aaron en Mozes. Aaron nu werd afgezonderd, dat hij heiligde de allerheiligste dingen, hij en zijn zonen, tot in eeuwigheid, om te roken voor het aangezicht des HEEREN, om Hem te dienen en om in Zijn Naam tot in eeuwigheid te zegenen.
  • Deut 21:5 : 5 Dan zullen de priesters, de kinderen van Levi, toetreden; want de HEERE, uw God, heeft hen verkoren, om Hem te dienen, en om in des HEEREN Naam te zegenen, en naar hun mond zal alle twist en alle plaag afgedaan worden.
  • Deut 10:8 : 8 Ter zelver tijd scheidde de HEERE den stam Levi uit, om de ark des verbonds des HEEREN te dragen, om voor het aangezicht des HEEREN te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op dezen dag.
  • Deut 33:1 : 1 Dit nu is de zegen, met welken Mozes, de man Gods, de kinderen Israels gezegend heeft, voor zijn dood.
  • Joz 8:33 : 33 En gans Israel met zijn oudsten, en ambtlieden, en zijn rechters, stonden aan deze en aan gene zijde der ark, voor de Levietische priesteren, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, zo vreemdelingen als inboorlingen, een helft daarvan tegenover den berg Gerizim, en een helft daarvan tegenover den berg Ebal, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, bevolen had; om het volk van Israel in het eerst te zegenen.
  • Luk 24:50-51 : 50 En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanie, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. 51 En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel.
  • Rom 1:7 : 7 Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.
  • 1 Kor 1:3 : 3 Genade zij u en vrede van God onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.
  • Heb 7:1 : 1 Want deze Melchizedek was koning van Salem, een priester des Allerhoogsten Gods, die Abraham tegemoet ging, als hij wederkeerde van het slaan der koningen, en hem zegende;
  • Heb 7:7 : 7 Nu, zonder enig tegenspreken, hetgeen minder is, wordt gezegend van hetgeen meerder is.
  • Heb 11:20-21 : 20 Door het geloof heeft Izak zijn zonen Jakob en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen. 21 Door het geloof heeft Jakob, stervende, een iegelijk der zonen van Jozef gezegend, en heeft aangebeden, leunende op het opperste van zijn staf.
  • 1 Petr 1:2 : 2 Den uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
  • 2 Petr 1:2-3 : 2 Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God, en van Jezus, onzen Heere; 3 Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;
  • 2 Joh 1:3 : 3 Genade, barmhartigheid, vrede zij met ulieden van God den Vader, en van den Heere Jezus Christus, den Zoon des Vaders, in waarheid en liefde.
  • Gen 14:19-20 : 19 En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit! 20 En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.
  • Gen 24:60 : 60 En zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: O, onze zuster! wordt gij tot duizenden millioenen, en uw zaad bezitte de poort zijner haters!
  • Gen 27:27-29 : 27 En hij kwam bij, en hij kuste hem; toen rook hij de reuk zijner klederen, en zegende hem; en hij zeide: Zie, de reuk mijns zoons is als de reuk des velds, hetwelk de HEERE gezegend heeft. 28 Zo geve u dan God van de dauw des hemels, en de vettigheid der aarde, en menigte van tarwe en most. 29 Volken zullen u dienen, en natien zullen zich voor u nederbuigen; wees heer over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen! Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend!
  • Gen 28:3-4 : 3 En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij tot een hoop volken wordt. 4 En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.
  • Gen 47:7 : 7 En Jozef bracht zijn vader Jakob mede, en stelde hem voor Farao's aangezicht; en Jakob zegende Farao.
  • Gen 47:10 : 10 En Jakob zegende Farao, en ging uit van Farao's aangezicht.
  • Gen 48:20 : 20 Alzo zegende hij ze te dien dage, zeggende: In u zal Israel zegenen, zeggende: God zette u als Efraim en als Manasse! En hij zette Efraim voor Manasse.
  • Lev 9:22-23 : 22 Daarna hief Aaron zijn handen op tot het volk, en zegende hen; en hij kwam af, nadat hij het zondoffer, en brandoffer, en dankoffer gedaan had. 23 Toen ging Mozes met Aaron in de tent der samenkomst; daarna kwamen zij uit, en zegenden het volk; en de heerlijkheid des HEEREN verscheen al het volk.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Num 6:24-27
    4 verzen
    85%

    24De HEERE zegene u, en behoede u!

    25De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!

    26De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!

    27Alzo zullen zij Mijn Naam op de kinderen Israels leggen; en Ik zal hen zegenen.

  • 22En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • Lev 17:1-2
    2 verzen
    80%

    1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

    2Spreek tot Aaron, en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels, en zeg tot hen: Dit is het woord, hetwelk de HEERE geboden heeft, zeggende:

  • Lev 22:1-2
    2 verzen
    76%

    1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

    2Spreek tot Aaron en tot zijn zonen, dat zij zich van de heilige dingen der kinderen Israels, die zij Mij heiligen, afzonderen, opdat zij de Naam Mijner heiligheid niet ontheiligen: Ik ben de HEERE!

  • 8En de HEERE sprak tot Aaron, zeggende:

  • 1En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 19Gij huis Israels! looft den HEERE; gij huis Aarons! looft den HEERE.

  • 16Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 11En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 17Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1En de HEERE sprak tot Mozes, en tot Aaron, zeggende tot hen:

  • 1En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 24En Mozes sprak zulks tot Aaron en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels.

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 24Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 19Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 23En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Dit nu is de zegen, met welken Mozes, de man Gods, de kinderen Israels gezegend heeft, voor zijn dood.

  • 33Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 26Daarna sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 12Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 13Dit zijn de hoofden van ieder huis hunner vaderen: de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israel, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van Ruben.

  • 73%

    8En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 22Daarna hief Aaron zijn handen op tot het volk, en zegende hen; en hij kwam af, nadat hij het zondoffer, en brandoffer, en dankoffer gedaan had.

  • 17En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 6En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israels spreken zult.

  • 1Zo zeide de HEERE tot Aaron: Gij, en uw zonen, en het huis uws vaders met u, zult dragen de ongerechtigheid des heiligdoms; en gij, en uw zonen met u, zult dragen de ongerechtigheid van uw priesterambt.

  • 8Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 29Want Mozes had gezegd: Vult heden uw handen den HEERE; want elk zal zijn tegen zijn zoon, en tegen zijn broeder; en dit, opdat Hij heden een zegen over ulieden geve!

  • 1Wijders sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 17Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 30Gij zult ook Aaron en zijn zonen zalven, en gij zult hen heiligen, om Mij het priesterambt te bedienen.

  • 23En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 10Ga heen, spreek tot Farao, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels uit zijn land trekken late.

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 14Zeggende: Waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen.

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 5En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: