Psalmen 115:17
De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.
De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
18Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Hallelujah!
18Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen.
19De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uw waarheid bekend maken.
5Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.
5Want de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de doden weten niet met al; zij hebben ook geen loon meer, maar hun gedachtenis is vergeten.
10Mijn oog treurt vanwege verdrukking; HEERE! ik roep tot U den gansen dag; ik strek mijn handen uit tot U.
11Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela.
2Dies prees ik de doden, die alrede gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn.
14Dood zijnde zullen zij niet weder leven, overleden zijnde zullen zij niet opstaan; daarom hebt Gij hen bezocht, en hebt hen verdelgd, en Gij hebt al hun gedachtenis doen vergaan.
16Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
17Oren hebben zij, maar horen niet; ook is er geen adem in hun mond.
12Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden.
17Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;
18Want hij zal in zijn sterven niet met al medenemen, zijn eer zal hem niet nadalen.
19Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u loven, omdat gij uzelven goed doet;
16Aangaande den hemel, de hemel is des HEEREN; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.
5De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners.
17Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid.
6Alles, wat adem heeft, love den HEERE! Hallelujah!
1Hallelujah! O mijn ziel! prijs den HEERE.
2Ik zal den HEERE prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
5Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is;
9Een wolk vergaat en vaart henen; alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen.
10Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.
20Maar de HEERE is in Zijn heiligen tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde!
1Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.
5Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
6De HEERE doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen.
17Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des HEEREN vertellen.
18De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.
7Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.
15Kostelijk is in de ogen des HEEREN de dood Zijner gunstgenoten.
1Hallelujah! Prijst den Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten des HEEREN!
18Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten der hel.
9Tot U, HEERE! riep ik, en ik smeekte tot den HEERE:
12Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord; [ (Psalms 30:13) Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. HEERE, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven. ]
34Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.
48Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?
3Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.
4Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.
38God nu is niet een God der doden, maar der levenden; want zij leven Hem allen.
1Hallelujah! Looft den HEERE uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen!
3HEERE, mijn God! ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen.
11Ik zeide: Ik zal den HEERE niet meer zien, den HEERE, in het land der levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen met de inwoners der wereld.
1Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen.
4Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.