Psalmen 115:17

Statenvertaling (States Bible)

De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 6:5 : 5 Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.
  • Ps 31:17 : 17 Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid.
  • Ps 88:10-12 : 10 Mijn oog treurt vanwege verdrukking; HEERE! ik roep tot U den gansen dag; ik strek mijn handen uit tot U. 11 Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela. 12 Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf?
  • Jes 38:18-19 : 18 Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen. 19 De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uw waarheid bekend maken.
  • Ps 30:9 : 9 Tot U, HEERE! riep ik, en ik smeekte tot den HEERE:
  • 1 Sam 2:9 : 9 Hij zal de voeten Zijner gunstgenoten bewaren; maar de goddelozen zullen zwijgen in duisternis; want een man vermag niet door kracht.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 18Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Hallelujah!

  • Jes 38:18-19
    2 verzen
    79%

    18Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen.

    19De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uw waarheid bekend maken.

  • 78%

    5Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.

  • 5Want de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de doden weten niet met al; zij hebben ook geen loon meer, maar hun gedachtenis is vergeten.

  • Ps 88:10-11
    2 verzen
    75%

    10Mijn oog treurt vanwege verdrukking; HEERE! ik roep tot U den gansen dag; ik strek mijn handen uit tot U.

    11Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela.

  • 2Dies prees ik de doden, die alrede gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn.

  • 14Dood zijnde zullen zij niet weder leven, overleden zijnde zullen zij niet opstaan; daarom hebt Gij hen bezocht, en hebt hen verdelgd, en Gij hebt al hun gedachtenis doen vergaan.

  • Ps 135:16-17
    2 verzen
    73%

    16Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;

    17Oren hebben zij, maar horen niet; ook is er geen adem in hun mond.

  • 12Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden.

  • Ps 49:17-19
    3 verzen
    72%

    17Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;

    18Want hij zal in zijn sterven niet met al medenemen, zijn eer zal hem niet nadalen.

    19Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u loven, omdat gij uzelven goed doet;

  • 16Aangaande den hemel, de hemel is des HEEREN; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.

  • 5De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners.

  • 17Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid.

  • 6Alles, wat adem heeft, love den HEERE! Hallelujah!

  • Ps 146:1-2
    2 verzen
    71%

    1Hallelujah! O mijn ziel! prijs den HEERE.

    2Ik zal den HEERE prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.

  • 5Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is;

  • Job 7:9-10
    2 verzen
    71%

    9Een wolk vergaat en vaart henen; alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen.

    10Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.

  • 20Maar de HEERE is in Zijn heiligen tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde!

  • 1Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.

  • 5Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;

  • 6De HEERE doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen.

  • Ps 118:17-18
    2 verzen
    69%

    17Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des HEEREN vertellen.

    18De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.

  • 7Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.

  • 15Kostelijk is in de ogen des HEEREN de dood Zijner gunstgenoten.

  • 1Hallelujah! Prijst den Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten des HEEREN!

  • 18Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten der hel.

  • 9Tot U, HEERE! riep ik, en ik smeekte tot den HEERE:

  • 12Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord; [ (Psalms 30:13) Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. HEERE, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven. ]

  • 34Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.

  • 48Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?

  • 3Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.

  • 4Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.

  • 38God nu is niet een God der doden, maar der levenden; want zij leven Hem allen.

  • 1Hallelujah! Looft den HEERE uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen!

  • 3HEERE, mijn God! ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen.

  • 11Ik zeide: Ik zal den HEERE niet meer zien, den HEERE, in het land der levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen met de inwoners der wereld.

  • 1Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen.

  • 4Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.