Psalmen 6:5

Statenvertaling (States Bible)

Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 30:9 : 9 Tot U, HEERE! riep ik, en ik smeekte tot den HEERE:
  • Ps 88:10-12 : 10 Mijn oog treurt vanwege verdrukking; HEERE! ik roep tot U den gansen dag; ik strek mijn handen uit tot U. 11 Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela. 12 Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf?
  • Ps 115:17 : 17 De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.
  • Pred 9:10 : 10 Alles, wat uw hand vindt om te doen, doe dat met uw macht; want er is geen werk, noch verzinning, noch wetenschap, noch wijsheid in het graf, daar gij heengaat.
  • Jes 38:18-19 : 18 Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen. 19 De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uw waarheid bekend maken.
  • Joh 9:4 : 4 Ik moet werken de werken Desgenen, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan.
  • Ps 118:17 : 17 Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des HEEREN vertellen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Jes 38:18-19
    2 verzen
    80%

    18Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen.

    19De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uw waarheid bekend maken.

  • 17De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.

  • Ps 88:5-6
    2 verzen
    77%

    5Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is;

    6Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand.

  • 5Want de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de doden weten niet met al; zij hebben ook geen loon meer, maar hun gedachtenis is vergeten.

  • Ps 88:10-12
    3 verzen
    76%

    10Mijn oog treurt vanwege verdrukking; HEERE! ik roep tot U den gansen dag; ik strek mijn handen uit tot U.

    11Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela.

    12Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf?

  • 9Tot U, HEERE! riep ik, en ik smeekte tot den HEERE:

  • Ps 89:47-49
    3 verzen
    75%

    47Hoe lang, o HEERE! zult Gij U steeds verbergen, zal Uw grimmigheid branden als een vuur?

    48Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?

    49Wat man leeft er, die den dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? Sela.

  • Job 14:12-13
    2 verzen
    74%

    12Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden.

    13Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!

  • 74%

    4Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?

  • 74%

    6Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?

  • 14Dood zijnde zullen zij niet weder leven, overleden zijnde zullen zij niet opstaan; daarom hebt Gij hen bezocht, en hebt hen verdelgd, en Gij hebt al hun gedachtenis doen vergaan.

  • 3HEERE, mijn God! ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen.

  • Job 7:9-10
    2 verzen
    72%

    9Een wolk vergaat en vaart henen; alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen.

    10Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.

  • 15Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in dien morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning.

  • 32Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in den aardhoop.

  • 10Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.

  • 2Dies prees ik de doden, die alrede gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn.

  • Job 30:23-24
    2 verzen
    70%

    23Want ik weet, dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden.

    24Maar Hij zal tot een aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking?

  • Job 3:21-22
    2 verzen
    70%

    21Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten;

    22Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;

  • 10Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan?

  • 21En waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en Gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.

  • 13Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden.

  • 1Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.

  • 8Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.

  • 3De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.

  • 3Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn.

  • 5De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners.

  • 4Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen.

  • 6De HEERE doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen.

  • 17Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid.

  • 16Zij zullen ondervaren met de handbomen des grafs, als er rust te zamen in het stof wezen zal.

  • 17Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;

  • 27Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige over geven, om verderving te zien.

  • 14Doch Ik zal hen van het geweld der hel verlossen, Ik zal ze vrijmaken van den dood: o dood! waar zijn uw pestilentien? hel! waar is uw verderf? Berouw zal van Mijn ogen verborgen zijn,

  • 6Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.

  • 10Ik zeide: Vanwege de afsnijding mijner dagen, zal ik tot de poorten des grafs heengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren.

  • 20Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde.

  • 13Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.

  • 6Banden der hel omringden mij; strikken des doods bejegenden mij.