Psalmen 89:47

Statenvertaling (States Bible)

Hoe lang, o HEERE! zult Gij U steeds verbergen, zal Uw grimmigheid branden als een vuur?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 7:7 : 7 Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.
  • Job 10:9 : 9 Gedenk toch, dat Gij mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeren.
  • Job 14:1 : 1 De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust.
  • Ps 39:5-6 : 5 HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij. 6 Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.
  • Ps 119:84 : 84 Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?
  • Ps 144:4 : 4 De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.
  • Jak 4:14 : 14 Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt.
  • Job 9:25-26 : 25 En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien. 26 Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 39:4-7
    4 verzen
    81%

    4Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:

    5HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij.

    6Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.

    7Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdelijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.

  • Ps 89:48-49
    2 verzen
    80%

    48Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?

    49Wat man leeft er, die den dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? Sela.

  • Ps 89:45-46
    2 verzen
    78%

    45Gij hebt zijn schoonheid doen ophouden; en Gij hebt zijn troon ter aarde nedergestoten.

    46Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.

  • Ps 144:3-4
    2 verzen
    77%

    3O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?

    4De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.

  • Job 14:13-14
    2 verzen
    76%

    13Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!

    14Als een man gestorven is, zal hij weder leven? Ik zou al de dagen mijns strijds hopen, totdat mijn verandering komen zou.

  • Job 7:6-7
    2 verzen
    75%

    6Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting.

    7Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.

  • Job 7:16-17
    2 verzen
    75%

    16Ik versmaad ze, ik zal toch in der eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn ijdelheid.

    17Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?

  • Ps 90:9-10
    2 verzen
    74%

    9Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.

    10Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.

  • 1Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.

  • 20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;

  • 3Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen!

  • Ps 102:23-24
    2 verzen
    74%

    23Wanneer de volken samen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den HEERE te dienen.

    24Hij heeft mijn kracht op den weg ter nedergedrukt; mijn dagen heeft Hij verkort.

  • 11Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou?

  • 73%

    2Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid! In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed.

  • 5Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans?

  • 11Mijn dagen zijn voorbijgegaan; uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten.

  • 12Mijn levenstijd is weggetogen, en van mij weggevoerd gelijk eens herders hut; ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn web; Hij zal mij afsnijden, als van den drom; van den dag tot den nacht zult Gij mij ten einde gebracht hebben.

  • 10Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.

  • 1Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen des dagloners?

  • Job 14:1-2
    2 verzen
    72%

    1De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust.

    2Hij komt voort als een bloem, en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet.

  • 10Ik zeide: Vanwege de afsnijding mijner dagen, zal ik tot de poorten des grafs heengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren.

  • 9Gedenk toch, dat Gij mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeren.

  • 10Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan?

  • 20Waarom zoudt Gij ons steeds vergeten? Waarom zoudt Gij ons zo langen tijd verlaten?

  • 18En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik den geest gegeven had, en geen oog mij gezien had!

  • 20Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij?

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

  • 29Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden?

  • 11Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand.

  • Ps 90:12-13
    2 verzen
    71%

    12Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.

    13Keer weder, HEERE! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten.

  • 15Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen?

  • 4Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen.

  • 14Maar ik, HEERE! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in den morgenstond.

  • 71%

    4Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;

  • 11Voorwaar, er zijn veel dingen, die de ijdelheid vermeerderen; wat heeft de mens te meer daarvan?

  • 3Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?

  • 4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,