Psalmen 39:4

Statenvertaling (States Bible)

Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 90:12 : 12 Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.
  • Ps 119:84 : 84 Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?
  • Job 14:13 : 13 Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!
  • Ps 103:14 : 14 Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 5HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij.

  • Ps 89:46-47
    2 verzen
    79%

    46Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.

    47Hoe lang, o HEERE! zult Gij U steeds verbergen, zal Uw grimmigheid branden als een vuur?

  • Ps 144:3-4
    2 verzen
    78%

    3O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?

    4De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.

  • Ps 90:11-12
    2 verzen
    76%

    11Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?

    12Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.

  • Ps 39:12-13
    2 verzen
    76%

    12Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.

    13Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders. [ (Psalms 39:14) Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij. ]

  • Ps 102:23-24
    2 verzen
    75%

    23Wanneer de volken samen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den HEERE te dienen.

    24Hij heeft mijn kracht op den weg ter nedergedrukt; mijn dagen heeft Hij verkort.

  • 10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.

  • 20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;

  • 11Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou?

  • 1Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.

  • 5Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans?

  • 10Ik zeide: Vanwege de afsnijding mijner dagen, zal ik tot de poorten des grafs heengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren.

  • 23Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.

  • 12Mijn levenstijd is weggetogen, en van mij weggevoerd gelijk eens herders hut; ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn web; Hij zal mij afsnijden, als van den drom; van den dag tot den nacht zult Gij mij ten einde gebracht hebben.

  • 11Mijn dagen zijn voorbijgegaan; uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten.

  • 23Want ik weet, dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden.

  • 10Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.

  • 23Hoeveel misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtreding en mijn zonden mij bekend.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.

  • 7Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdelijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.

  • 11Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen.

  • 6De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.

  • 9Ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten.

  • Ps 73:16-17
    2 verzen
    72%

    16Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;

    17Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.

  • 5Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal;

  • Job 7:16-17
    2 verzen
    72%

    16Ik versmaad ze, ik zal toch in der eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn ijdelheid.

    17Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?

  • 1Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.

  • 24Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.

  • 3Nu dan, HEERE! neem toch mijn ziel van mij; want het is mij beter te sterven dan te leven.

  • 49Wat man leeft er, die den dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? Sela.

  • 5Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.

  • 4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,

  • 9Want wij zijn van gisteren en weten niet; dewijl onze dagen op de aarde een schaduw zijn.

  • 13Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!

  • 20Sta op, HEERE, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden. [ (Psalms 9:21) O HEERE! jaag hun vreze aan; laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn. Sela. ]

  • 8Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom mij zijn zij, en Gij verslindt mij.

  • 4Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles.

  • 33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.

  • 14Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.

  • 4Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.

  • 4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?

  • 4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.

  • 8Doe mij Uw goedertierenheid in den morgenstond horen, want ik betrouw op U; maak mij bekend den weg, dien ik te gaan heb, want ik hef mijn ziel tot U op.