Psalmen 139:6
De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?
8Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.
9Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee;
10Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.
11Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.
2Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.
3Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.
4Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles.
5Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
16Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;
18Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:
13Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt.
14Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel.
15Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde.
16Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
17Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel zijn haar sommen!
18Zoude ik ze tellen? Harer is meer, dan des zands; word ik wakker, zo ben ik nog bij U.
7Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?
8Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?
23Dit alles heb ik met wijsheid verzocht; ik zeide: Ik zal wijsheid bekomen, maar zij was nog verre van mij.
24Hetgeen verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden?
1Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.
23Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.
3En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.
10Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.
11Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.
11Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?
3O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?
3Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.
5Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen.
4Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:
33O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!
12Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.
16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?
5Welgelukzalig is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
5Onze Heere is groot en van veel kracht; Zijns verstands is geen getal.
73Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.
3Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijn Schepper gerechtigheid toewijzen.
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
5Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.
26Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; er is ook geen onderzoeking van het getal Zijner jaren.
6Want de HEERE is hoog, nochtans ziet Hij de nederige aan, en den verhevene kent Hij van verre.
7Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
5Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
9Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan;
3Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen;