Job 36:26
Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; er is ook geen onderzoeking van het getal Zijner jaren.
Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; er is ook geen onderzoeking van het getal Zijner jaren.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
24Gedenk, dat gij Zijn werk groot maakt, hetwelk de lieden aanschouwen.
25Alle mensen zien het aan; de mens schouwt het van verre.
23Den Almachtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet.
24Daarom vreze Hem de lieden; Hij ziet geen wijzen van harte aan.
5God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet.
6Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.
27Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;
10Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.
11Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.
9Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan;
14Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan den donder Zijner mogendheden verstaan?
5Zie, God is geweldig, nochtans versmaadt Hij niet; geweldig is Hij in kracht des harten.
3Gimel. De HEERE is groot en zeer te prijzen, en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.
33O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!
5Onze Heere is groot en van veel kracht; Zijns verstands is geen getal.
29Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?
7Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?
8Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?
9Langer dan de aarde is haar maat, en breder dan de zee.
1Waarom zouden van den Almachtige de tijden niet verborgen zijn, dewijl zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
7Want hij weet niet, wat er geschieden zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal?
9De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.
16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?
9Want wij zijn van gisteren en weten niet; dewijl onze dagen op de aarde een schaduw zijn.
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
37Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
13De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.
6De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
22Zie, God verhoogt door Zijn kracht; wie is een Leraar, gelijk Hij?
12Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.
13Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?
14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.
17Toen zag ik alle werk Gods, dat de mens niet kan uitvinden, het werk, dat onder de zon geschiedt, om hetwelk een mens arbeidt om te zoeken, maar hij zal het niet uitvinden; ja, indien ook een wijze zeide, dat hij het zou weten, zo zal hij het toch niet kunnen uitvinden.
11Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?
24Hetgeen verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden?
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?
21Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal.
22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.
12Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.
13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
14Ik weet, dat al wat God doet, dat zal in der eeuwigheid zijn, en er is niet toe te doen, noch is er af te doen; en God doet dat, opdat men vreze voor Zijn aangezicht.
5Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal;
3Aan de hoogte des hemels, en aan de diepte der aarde, en aan het hart der koningen is geen doorgronding.
3En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.
23God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats.
6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.
3O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?