Job 28:23
God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats.
God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
24Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen.
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
13De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.
27Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij schikte ze, en ook doorzocht Hij ze.
28Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
21Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen.
22Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord.
21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.
18Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.
19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?
20Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?
8Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet.
9Als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij Zich ter rechterhand, zo zie ik Hem niet.
10Doch Hij kent den weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.
21Gewisselijk, zodanige zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats desgenen die God niet kent.
24De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
2Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.
3Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.
4Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles.
13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.
7De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.
11Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?
3Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen;
21Zo wij den Naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden God uitgebreid.
23Stelt hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen.
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
28Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
11Want Hij kent de ijdele lieden en Hij ziet de ondeugd; zou Hij dan niet aanmerken?
14Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.
5Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.
27Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
13Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?
22Hij openbaart diepe en verborgen dingen; Hij weet, wat in het duister is, want het licht woont bij Hem.
6Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.
23Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
3Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods.
2De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God; zij verderven het, en zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand, die goed doet.
8Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?
24Hetgeen verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden?
2De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.
6De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
17Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.
16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?
25Alle mensen zien het aan; de mens schouwt het van verre.
24Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik niet den hemel en de aarde? spreekt de HEERE.
11De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.