Jeremia 10:23

Statenvertaling (States Bible)

Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 20:24 : 24 De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
  • Spr 16:1 : 1 De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
  • Ps 37:23 : 23 Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.
  • Ps 119:116-117 : 116 Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope. 117 Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
  • Ps 17:5 : 5 Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 24De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?

  • 9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.

  • 24Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.

  • 23Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.

  • Spr 3:5-6
    2 verzen
    73%

    5Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet.

    6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.

  • 12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.

  • Spr 19:2-3
    2 verzen
    73%

    2Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.

    3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.

  • 21Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.

  • 9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.

  • 25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.

  • 2Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.

  • 23Zo zegt de HEERE: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom;

  • Job 23:10-11
    2 verzen
    71%

    10Doch Hij kent den weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.

    11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.

  • 11De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.

  • 23God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats.

  • 5Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den HEERE afwijkt!

  • 5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.

  • 8Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.

  • 9Efraim! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien; Ik zal hem zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden. [ (Hosea 14:10) Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want des HEEREN wegen zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen. ]

  • 6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.

  • 7Want hij weet niet, wat er geschieden zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal?

  • Spr 16:1-2
    2 verzen
    70%

    1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.

    2Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.

  • 8De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.

  • 7Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.

  • 19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.

  • 8Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE.

  • 26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.

  • 8Den weg des vredes kennen zij niet; en er is geen recht in hun gangen; hun paden maken zij verkeerd voor zich zelven, al wie daarop gaat, die kent den vrede niet.

  • 21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.

  • 40Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den HEERE.

  • 3Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is.

  • 21In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.

  • 4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?

  • 69%

    6Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.

  • 22Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?

  • 10Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen.

  • 13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.

  • 3O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?

  • 4Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:

  • 11Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op den weg dezes volks, zeggende:

  • 19Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.

  • 9Wie weet niet uit alle deze, dat de hand des HEEREN dit doet?

  • 20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.

  • 30Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE.

  • 15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.

  • 2Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?