Jeremia 10:23
Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
24De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
24Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.
23Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.
5Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet.
6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
2Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
21Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
2Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.
23Zo zegt de HEERE: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom;
10Doch Hij kent den weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.
11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
11De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.
23God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats.
5Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den HEERE afwijkt!
5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
8Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.
9Efraim! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien; Ik zal hem zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden. [ (Hosea 14:10) Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want des HEEREN wegen zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen. ]
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
7Want hij weet niet, wat er geschieden zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal?
1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
2Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.
8De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.
7Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.
19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
8Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE.
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
8Den weg des vredes kennen zij niet; en er is geen recht in hun gangen; hun paden maken zij verkeerd voor zich zelven, al wie daarop gaat, die kent den vrede niet.
21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.
40Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den HEERE.
3Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is.
21In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
6Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.
22Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?
10Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen.
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
3O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?
4Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:
11Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op den weg dezes volks, zeggende:
19Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.
9Wie weet niet uit alle deze, dat de hand des HEEREN dit doet?
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
30Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
2Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?