Jesaja 8:11
Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op den weg dezes volks, zeggende:
Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op den weg dezes volks, zeggende:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
10Beraadslaagt een raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan; want God is met ons!
12Gijlieden zult niet zeggen: Een verbintenis, van alles, waar dit volk van zegt: Het is een verbintenis; en vreest gijlieden hun vreze niet, en verschrikt niet.
5En de HEERE sprak nog verder tot mij, zeggende:
17Dat de HEERE tot mij sprak, zeggende:
7Maar de HEERE zeide tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal, waarhenen Ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken.
8Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt de HEERE.
8Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
8Het woord des HEEREN geschiedde verder tot mij, zeggende:
6En de HEERE zeide tot mij: Roep al deze woorden uit in de steden van Juda, en in de straten van Jeruzalem, zeggende: Hoort de woorden dezes verbonds, en doet dezelve.
8En des morgens geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
11Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2Toen sprak de HEERE tot mij, zeggende:
8Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
9En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
20Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
16Nu dan, hoor des HEEREN woord: Gij zegt: Gij zult niet profeteren tegen Israel, noch druppen tegen het huis van Izak.
17Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
3Zeg dan tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Vervloekt zij de man, die niet hoort de woorden deze verbonds.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
18Wederom geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
11Daarna geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
13En de HEERE zeide: Omdat zij Mijn wet, die Ik voor hun aangezicht gegeven had, verlaten hebben, en naar Mijn stem niet gehoord, noch daarnaar gewandeld hebben;
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Maar de HEERE zeide tot mij: Al stond Mozes en Samuel voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen; drijf ze weg van Mijn aangezicht, en laat ze uitgaan.
13Voorts sprak de HEERE tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangemerkt, en zie, het is een hardnekkig volk.
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Daarna geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
23Maar deze zaak heb Ik hun geboden, zeggende: Hoort naar Mijn stem, zo zal Ik u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn; en wandelt in al den weg, dien Ik u gebieden zal, opdat het u welga.
9Voorts zeide de HEERE tot mij: Er is een verbintenis bevonden onder de mannen van Juda, en onder de inwoners van Jeruzalem.
11Maar de HEERE zeide tot mij: Sta op, ga op de reize, voor het aangezicht des volks, dat zij inkomen, en erven het land, dat Ik hun vaderen gezworen heb, hun te geven.
4Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende:
1Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israels!
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende:
11Maar nu zal Ik aan het overblijfsel dezes volks niet wezen, gelijk in de vorige dagen, spreekt de HEERE der heirscharen.
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
18Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
8En tot dit volk zult gij zeggen: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik stel voor ulieder aangezicht den weg des levens en den weg des doods.
5Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
42Zo zeide de HEERE tot mij: Zeg hun: Trekt niet op, en strijdt niet, want Ik ben niet in het midden van u; opdat gij niet voor het aangezicht uwer vijanden geslagen wordet.
11Wijkt af van den weg, maakt u van de baan; laat den Heilige Israels van ons ophouden!
17Gij dan, gord uw lendenen, en maakt u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla.
11En aangaande het huis des konings van Juda, hoort des HEEREN woord.
14Toen geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende: