Job 32:13
Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
12Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.
13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
14Maar God spreekt eens of tweemaal; doch men let niet daarop.
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
9De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.
32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.
33Er is geen scheidsman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht.
12Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;
14Dat gij ook gezegd hebt: Gij zult Hem niet aanschouwen; er is nochtans gericht voor Zijn aangezicht, wacht gij dan op Hem.
15Maar nu, dewijl het niets is, dat Zijn toorn Job bezocht heeft, en Hij hem niet zeer in overvloed doorkend heeft;
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
13De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.
23Den Almachtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet.
24Daarom vreze Hem de lieden; Hij ziet geen wijzen van harte aan.
13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.
27Ten ware, dat Ik de toornigheid des vijands schroomde, dat niet hun tegenpartijen zich vreemd mochten houden; dat zij niet mochten zeggen: Onze hand is hoog geweest; de HEERE heeft dit alles niet gewrocht.
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?
23Gewisselijk, Hij legt den mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden.
2Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zo zal de wijsheid met ulieden sterven!
3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?
18Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.
19Zou Hij uw rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn; of enige versterkingen van kracht?
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
17Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge;
6En u bekend maakte de verborgenheden der wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid.
22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.
22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?
3Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?
12Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?
13God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.
28Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
9Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet, als hij welbehagen heeft aan God.
5Zie, God is geweldig, nochtans versmaadt Hij niet; geweldig is Hij in kracht des harten.
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
16Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest.
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
17Toen zag ik alle werk Gods, dat de mens niet kan uitvinden, het werk, dat onder de zon geschiedt, om hetwelk een mens arbeidt om te zoeken, maar hij zal het niet uitvinden; ja, indien ook een wijze zeide, dat hij het zou weten, zo zal hij het toch niet kunnen uitvinden.
9Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?
11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?
22In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.
23Zo zegt de HEERE: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom;
4Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
17Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?
23Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?