Job 26:3
Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?
Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Hoe hebt gij geholpen dien, die zonder kracht is, en behouden den arm, die zonder sterkte is?
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
13Wie heeft den Geest des HEEREN bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?
14Met wien heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leren van het pad des rechts, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen verstands?
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
3Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
20Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?
36Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?
34Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
23Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?
20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
25O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?
26Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn?
3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?
17Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,
13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.
16Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?
18Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
3Zie, gij zijt wijzer dan Daniel; zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen.
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
22De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.
13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
20Waar is de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker dezer eeuw? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt?
4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
26Wie heeft wat verkondigd van den beginne aan, dat wij het weten mogen, of van te voren, dat wij zeggen mogen: Hij is rechtvaardig; maar er is niemand, die het verkondigt, ook niemand, die wat horen doet, ook niemand, die ulieder woorden hoort.
8Want wat heeft de wijze meer dan de zot? Wat heeft de arme meer, die voor de levenden weet te wandelen?
9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.
22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?
3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?
16Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?
12Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?
28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.
3En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
3Zie, gij hebt velen onderwezen, en gij hebt slappe handen gesterkt;