Job 12:3

Statenvertaling (States Bible)

Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 13:2-5 : 2 Gelijk gijlieden het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u. 3 Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God. 4 Want gewisselijk, gij zijt leugenstoffeerders; gij allen zijt nietige medicijnmeesters. 5 Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.
  • Job 26:2-3 : 2 Hoe hebt gij geholpen dien, die zonder kracht is, en behouden den arm, die zonder sterkte is? 3 Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?
  • Spr 26:4 : 4 Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.
  • 2 Kor 11:5 : 5 Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen.
  • 2 Kor 11:21-23 : 21 Ik zeg dit naar oneer, gelijk of wij zwak waren geweest; maar waarin iemand stout is (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik ook stout. 22 Zijn zij Hebreen? Ik ook. Zijn zij Israelieten? Ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? Ik ook. 23 Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doods gevaar menigmaal.
  • Job 6:6-7 : 6 Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers? 7 Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 13:1-3
    3 verzen
    84%

    1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.

    2Gelijk gijlieden het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u.

    3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.

  • Job 15:8-9
    2 verzen
    78%

    8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?

    9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?

  • Job 12:1-2
    2 verzen
    77%

    1Maar Job antwoordde en zeide:

    2Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zo zal de wijsheid met ulieden sterven!

  • Job 42:3-4
    2 verzen
    77%

    3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.

    4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.

  • Job 20:3-4
    2 verzen
    77%

    3Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.

    4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,

  • Spr 30:2-3
    2 verzen
    76%

    2Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;

    3En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.

  • Job 12:12-13
    2 verzen
    75%

    12In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.

    13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.

  • Job 34:34-35
    2 verzen
    75%

    34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;

    35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.

  • 4Ik ben het, die zijn vriend een spot is, maar roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige en oprechte is een spot.

  • 12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?

  • 9De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.

  • 32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.

  • 2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.

  • 20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?

  • 14Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.

  • 15Dies zeide ik in mijn hart: Gelijk het den dwaze bejegent, zal het ook mijzelven bejegenen; waarom heb ik dan toen meer naar wijsheid gestaan? Toen sprak ik in mijn hart, dat ook hetzelve ijdelheid was.

  • 2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?

  • 11Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?

  • 13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.

  • 3Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?

  • 16Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd, boven allen, die voor mij te Jeruzalem geweest zijn; en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien.

  • 8Want wat heeft de wijze meer dan de zot? Wat heeft de arme meer, die voor de levenden weet te wandelen?

  • 13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?

  • 3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.

  • 7Ik zeide: Laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven.

  • 12Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.

  • 21Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal.

  • 23Dit alles heb ik met wijsheid verzocht; ik zeide: Ik zal wijsheid bekomen, maar zij was nog verre van mij.

  • 3Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijn Schepper gerechtigheid toewijzen.

  • 8Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?

  • 11Die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?

  • 6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.

  • 12Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid.

  • 8Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?

  • 10Maar toch gij allen, keert weder, en komt nu; want ik vind onder u geen wijze.

  • 4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.

  • 36Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?

  • 22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?

  • 16Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest.

  • 10Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze? Want gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen.

  • 13Ook heb ik onder de zon deze wijsheid gezien, en zij was groot bij mij: