Spreuken 30:2
Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;
Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1De woorden van Agur, den zoon van Jake; een last. De man spreekt tot Ithiel, tot Ithiel en Uchal.
3En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.
22Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.
6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.
3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
8Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?
18Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:
7En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;
13En die mijn ziel zoeken, leggen mij strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken den gansen dag listen.
14Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.
9De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.
18Ik zeide in mijn hart van de positie der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.
13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?
20Zo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien. [ (Psalms 49:21) De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan. ]
2De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.
17Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.
12Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.
20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
23Dit alles heb ik met wijsheid verzocht; ik zeide: Ik zal wijsheid bekomen, maar zij was nog verre van mij.
16Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
17Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft; een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen, en er is geen geest in hen.
25Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, en om na te sporen, en te zoeken wijsheid en een sluitrede; en om te weten de goddeloosheid der zotheid, en de dwaasheid der onzinnigheden.
16Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd, boven allen, die voor mij te Jeruzalem geweest zijn; en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien.
17En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; ik ben gewaar geworden, dat ook dit een kwelling des geestes is.
15Dies zeide ik in mijn hart: Gelijk het den dwaze bejegent, zal het ook mijzelven bejegenen; waarom heb ik dan toen meer naar wijsheid gestaan? Toen sprak ik in mijn hart, dat ook hetzelve ijdelheid was.
12Dan zal een verstandeloos man kloekzinnig worden; hoewel de mens als het veulen eens woudezels geboren is.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
14Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen.
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
8In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden.
10Maar toch gij allen, keert weder, en komt nu; want ik vind onder u geen wijze.
1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.
24Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.
6De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
2Gelijk gijlieden het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u.
14Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.
28Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
3Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
18Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.
20Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.
22Zekerlijk, Mijn volk is dwaas, Mij kennen zij niet; het zijn zotte kinderen, en zij zijn niet verstandig; wijs zijn zij om kwaad te doen, maar goed te doen weten zij niet.
4Doch ik zeide: Zekerlijk, deze zijn arm; zij handelen zottelijk, omdat zij den weg des HEEREN, het recht hun Gods niet weten.
1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Machalath.