Spreuken 30:1
De woorden van Agur, den zoon van Jake; een last. De man spreekt tot Ithiel, tot Ithiel en Uchal.
De woorden van Agur, den zoon van Jake; een last. De man spreekt tot Ithiel, tot Ithiel en Uchal.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;
3En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.
1De woorden van den prediker, den zoon van David, den koning te Jeruzalem.
2Ijdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.
1De spreuken van Salomo, den zoon van David, den koning van Israel,
2Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands;
1De woorden van de koning Lemuel; de last, maarmede zijn moeder hem onderwees.
2Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Dit zijn ook spreuken van Salomo, die de mannen van Hizkia, den koning van Juda, uitgeschreven hebben.
20Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?
28Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
18Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:
15Het kromme kan niet recht gemaakt worden; en hetgeen ontbreekt, kan niet geteld worden.
16Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd, boven allen, die voor mij te Jeruzalem geweest zijn; en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien.
17En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; ik ben gewaar geworden, dat ook dit een kwelling des geestes is.
17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
12Ik, prediker, was koning over Israel te Jeruzalem.
13En ik begaf mijn hart om met wijsheid te onderzoeken, en na te speuren al wat er geschiedt onder den hemel. Deze moeilijke bezigheid heeft God den kinderen der mensen gegeven, om zich daarin te bekommeren.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
10De prediker zocht aangename woorden uit te vinden, en het geschrevene is recht, woorden der waarheid.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
6Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en hun raadselen.
1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
25Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, en om na te sporen, en te zoeken wijsheid en een sluitrede; en om te weten de goddeloosheid der zotheid, en de dwaasheid der onzinnigheden.
16Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;
13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
1Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
14Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
7En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;
7Ik zeide: Laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide: