Spreuken 31:1
De woorden van de koning Lemuel; de last, maarmede zijn moeder hem onderwees.
De woorden van de koning Lemuel; de last, maarmede zijn moeder hem onderwees.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?
3Geeft aan de vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen, om koningen te verdelgen.
4Het komt den koningen niet toe, o Lemuel! het komt den koningen niet toe wijn te drinken, en den prinsen, sterken drank te begeren;
5Opdat hij niet drinke, en het gezette vergete, en de rechtzaak van alle verdrukten verandere.
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2Mensenkind! daar waren twee vrouwen, dochteren van een moeder.
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
1De spreuken van Salomo, den zoon van David, den koning van Israel,
2Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands;
20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
26Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.
27Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.
28Koph. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende:
1De woorden van Agur, den zoon van Jake; een last. De man spreekt tot Ithiel, tot Ithiel en Uchal.
1De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.
3Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het aangezicht mijner moeder.
4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
15De roede, en de bestraffing geeft wijsheid; maar een kind, dat aan zichzelf gelaten is, beschaamt zijn moeder.
11Gaat uit, en aanschouwt, gij, dochteren van Sion! den koning Salomo, met de kroon, waarmede Hem Zijn moeder kroonde op den dag Zijner bruiloft, en op den dag der vreugde Zijns harten.
31Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
22Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.
18(Want van mijn jonkheid af is hij bij mij opgetogen, als bij een vader, en van mijner moeders buik af heb ik haar geleid;)
27Toen antwoordde de koning, en zeide: Geeft aan die het levende kind, den doodt het geenszins; die is zijn moeder.
1De woorden van den prediker, den zoon van David, den koning te Jeruzalem.
1Het Hooglied, hetwelk van Salomo is.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
21Dit woord nu was goed in de ogen des konings en der vorsten; en de koning deed naar het woord van Memuchan.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
16Zij nu kwam tot haar schoonmoeder, dewelke zeide: Wie zijt gij, mijn dochter? En zij verhaalde haar alles, wat die man haar gedaan had.
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
9Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.
10Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.
3En ga in tot den koning, en spreek tot hem naar dit woord. En Joab legde de woorden in haar mond.
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
22Toen zeide de andere vrouw: Neen, maar die levende is mijn zoon, en de dode is uw zoon; gene daarentegen zeide: Neen, maar de dode is uw zoon, en de levende is mijn zoon! Alzo spraken zij voor het aangezicht des konings.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
23Vervloekt zij, die bij zijn schoonmoeder ligt! En al het volk zal zeggen: Amen.
2En zeg: Wat was uw moeder? Een leeuwin, onder de leeuwen nederliggende; zij bracht haar welpen op in het midden der jonge leeuwen.
44Zie, een ieder, die spreekwoorden gebruikt, zal van u een spreekwoord gebruiken, zeggende: Zo de moeder is, is haar dochter.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende: