Spreuken 23:22
Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.
Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
21Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.
20Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.
12Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft.
23Koop de waarheid, en verkoop ze niet, mitsgaders wijsheid, en tucht, en verstand.
24De vader des rechtvaardigen zal zich zeer verheugen; en die een wijzen zoon gewint, zal zich over hem verblijden.
25Laat uw vader zich verblijden, ook uw moeder; en laat haar zich verheugen, die u gebaard heeft.
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
26Wie de vader verwoest, of de moeder verjaagt, is een zoon, die beschaamd maakt, en schande aandoet.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
16Eert uw vader, en uw moeder, gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden, en opdat het u welga in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.
6Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.
11Daar is een geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder niet zegent;
17Het oog, dat den vader bespot, of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken, en des arends jongen zullen het eten.
18Wanneer iemand een moedwilligen en wederspannigen zoon heeft, die de stem zijns vaders en de stem zijner moeder niet gehoorzaam is; en zij hem gekastijd zullen hebben, en hij naar hen niet horen zal,
19Zo zullen zijn vader en zijn moeder hem grijpen, en zij zullen hem uitbrengen tot de oudsten zijner stad, en tot de poorte zijner plaats.
16Vervloekt zij, die zijn vader of zijn moeder veracht! En al het volk zal zeggen: Amen.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
4Want God heeft geboden, zeggende: Eert uwen vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven.
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
11Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
20Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis.
32Voor het grauwe haar zult gij opstaan, en zult het aangezicht des ouden vereren; en gij zult vrezen voor uw God; Ik ben de HEERE!
25Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.
2Eert uw vader en moeder (hetwelk het eerste gebod is met een belofte),
3Opdat het u welga, en dat gij lang leeft op de aarde.
4En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
19Eer uw vader en moeder; en: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.
8Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
10Zet de oude palen niet terug; en kom op de akkers der wezen niet;
7Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
24Wie zijn vader of zijn moeder berooft, en zegt: Het is geen overtreding; die is des verdervenden mans gezel.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
6De kroon de ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen.
15Zo wie zijn vader of zijn moeder slaat, die zal zekerlijk gedood worden.
21Gij vaders, tergt uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden.
17Wie ook zijn vader of zijn moeder vloekt, die zal zekerlijk gedood worden.
12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
18Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.
1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
7Gij zult de schaamte uws vaders en de schaamte uwer moeder niet ontdekken; zij is uw moeder; gij zult haar schaamte niet ontdekken.
10Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
1De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.