Spreuken 23:12
Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
3Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid;
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
13Weer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven.
32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
31Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.
32Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand.
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
10Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.
10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
1Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig.
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
23Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.
20Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.
2Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands;
3Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en billijkheden;
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
15Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.
10En Hij openbaart het voor hunlieder oor ter tucht, en zegt, dat zij zich van de ongerechtigheid bekeren zouden.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
15De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.
10Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?
1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
22Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.