Spreuken 19:27
Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
25Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.
26Wie de vader verwoest, of de moeder verjaagt, is een zoon, die beschaamd maakt, en schande aandoet.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
2Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.
20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
25Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
17Tuchtig uw zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven.
20Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.
18Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.
22Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
15De roede, en de bestraffing geeft wijsheid; maar een kind, dat aan zichzelf gelaten is, beschaamt zijn moeder.
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
20Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
6Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.
11Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;
11Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
7Die de wet bewaart, is een verstandig zoon; maar die der vraten metgezel is, beschaamt zijn vader.
18Wanneer iemand een moedwilligen en wederspannigen zoon heeft, die de stem zijns vaders en de stem zijner moeder niet gehoorzaam is; en zij hem gekastijd zullen hebben, en hij naar hen niet horen zal,
13Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener vrouw als een gestadig druipen.
15De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.
21Wie een zot genereert, die zal hem tot droefheid zijn; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden.
6Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.
17Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
18Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
10Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
32Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand.