Spreuken 15:32
Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand.
Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
31Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
18Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden.
17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
1Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig.
10De tucht is onaangenaam voor dengene die het pad verlaat; en die de bestraffing haat, zal sterven.
33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
33De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer.
12En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad!
12De spotter zal niet liefhebben, die hem bestraft; hij zal niet gaan tot de wijzen.
6Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.
7Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze bestraft, zijn schandvlek.
8Bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben.
9Leer den wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen.
16Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven.
1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.
13Die het woord veracht, die zal verdorven worden; maar wie het gebod vreest, dien zal vergolden worden.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
25Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.
25En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt;
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
30Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad;
10De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.
11Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;
7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
5Het is beter te horen het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
12Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
23Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.
12Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.
12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
6De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.
19Een knecht zal door de woorden niet getuchtigd worden; hoewel hij u verstaat, nochtans zal hij niet antwoorden.
9Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
13Die antwoord geeft, eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande.
2Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest den HEERE; maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem.
2De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.
20Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
8Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet.