Spreuken 18:13
Die antwoord geeft, eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande.
Die antwoord geeft, eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.
4Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.
5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
18Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
10Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden.
19Een knecht zal door de woorden niet getuchtigd worden; hoewel hij u verstaat, nochtans zal hij niet antwoorden.
20Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
2De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.
5Het is beter te horen het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen.
8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.
35De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
2Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.
18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
31Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.
32Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand.
33De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer.
12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.
2Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid.
16Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?
1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
1Wees niet te snel met uw mond, en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in den hemel, en gij zijt op de aarde; daarom laat uw woorden weinig zijn.
18Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
15Hoort en neemt ter ore, verheft u niet; want de HEERE heeft het gesproken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
24In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
13Die zijn oor stopt voor het geschrei des armen, die zal ook roepen, en niet verhoord worden.
20Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
3Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.