Spreuken 18:14
De geest eens mans zal zijn krankheid ondersteunen; maar een verslagen geest, wie zal dien opheffen?
De geest eens mans zal zijn krankheid ondersteunen; maar een verslagen geest, wie zal dien opheffen?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
22Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.
13Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen.
28Een man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
27De ziel des mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks.
27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
25Bekommernis in het hart des mensen buigt het neder; maar een goed woord verblijdt het.
22Maar zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart; en zijn ziel, in hem zijnde, heeft rouw.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
30Een gezond hart is het leven des vleses; maar nijd is verrotting der beenderen.
14Indien Hij Zijn hart tegen hem zette, zijn geest en zijn adem zou Hij tot Zich vergaderen;
8Zekerlijk de geest, die in den mens is, en de inblazing des Almachtigen, maakt henlieden verstandig.
23De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.
3Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hen in hun smarten.
16Heere, bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven van mijn geest; want Gij hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.
18Tsade. Zij roepen, en de HEERE hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden.
10Vertoont gij u slap ten dage uwer benauwdheid, uw kracht is nauw.
12Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.
13Die antwoord geeft, eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande.
18Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.
4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.
11Want wie van de mensen weet, hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is? Alzo weet ook niemand, hetgeen Gods is, dan de Geest Gods.
8Er is geen mens, die heerschappij heeft over den geest, om den geest in te houden; en hij heeft geen heerschappij over den dag des doods; ook geen geweer in dezen strijd; ook zal de goddeloosheid haar meesters niet verlossen.
18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.
21Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?
10Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan?
2Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
5De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
8Het einde van een ding is beter dan zijn begin; de lankmoedige is beter dan de hoogmoedige.
11En ziet, er was een vrouw, die een geest der krankheid achttien jaren lang gehad had, en zij was samengebogen, en kon zich ganselijk niet oprichten.
1Broeders, indien ook een mens vervallen ware door enige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt den zodanige te recht met den geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt.
4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.
18Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga.
17Een goedertieren mens doet zijn ziel wel; maar die wreed is, beroert zijn vlees.
14Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten.
4Als de geest des heersers tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.
5Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals des te meer maken; het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat.
6Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht.
16Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag.
11Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.
18Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.
4De boog der sterken is gebroken; en die struikelden, zijn met sterkte omgord.
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
30De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen;
32De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.
14Die afkerig van hart is, zal van zijn wegen verzadigd worden; maar een goed man van zichzelven.
1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.
8Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen.