Spreuken 20:5
De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.
De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.
20Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.
21In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
6Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en hun raadselen.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
19Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen den mens.
6Elk van de menigte der mensen roept zijn weldadigheid uit; maar wie zal een recht trouwen man vinden?
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
27De ziel des mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
36Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?
22De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.
23Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
3Aan de hoogte des hemels, en aan de diepte der aarde, en aan het hart der koningen is geen doorgronding.
9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
1Die zich afzondert, tracht naar wat begeerlijks; hij vermengt zich in alle bestendige wijsheid.
2De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.
15Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput;
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
3Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!
27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
24Hetgeen verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden?
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
18Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen.
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
5Een wijs man is sterk; en een man van wetenschap maakt de kracht vast.
35De goede mens brengt goede dingen voort uit den goede schat des harten, en de boze mens brengt boze dingen voort uit den boze schat.
20In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks.
13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
5Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet.
8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.
22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
26De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader.
45De goede mens brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten; en de kwade mens brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond.
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
10Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
20Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druipen dauw.
13In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.