Spreuken 17:27
Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
12Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
17De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
13In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
19Een knecht zal door de woorden niet getuchtigd worden; hoewel hij u verstaat, nochtans zal hij niet antwoorden.
20Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
11Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
32De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.
10De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.
8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.
12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
25Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
2Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
5Een wijs man is sterk; en een man van wetenschap maakt de kracht vast.
23Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
5De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.
14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.
26Het is niet goed, den rechtvaardige ook te doen boeten, dat de prinsen iemand slaan zouden om hetgeen recht is.