Spreuken 17:26
Het is niet goed, den rechtvaardige ook te doen boeten, dat de prinsen iemand slaan zouden om hetgeen recht is.
Het is niet goed, den rechtvaardige ook te doen boeten, dat de prinsen iemand slaan zouden om hetgeen recht is.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
5Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.
17Zou hij ook, die het recht haat, den gewonde verbinden, en zoudt gij den zeer Rechtvaardige verdoemen?
18Zou men tot een koning zeggen: Gij Belial; tot de prinsen: Gij goddelozen!
23Deze spreuken zijn ook van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed.
24Die tot den goddeloze zegt: Gij zijt rechtvaardig; dien zullen de volken vervloeken, de natien zullen hem gram zijn.
13Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.
7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.
10De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!
20Voorwaar, er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet, en niet zondigt.
25Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.
5De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn; en hij bestraffe mij, het zal olie des hoofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken; want nog zal ook mijn gebed voor hen zijn in hun tegenspoeden.
3Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht.
4HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten.
12Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.
3Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?
17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.
27Een ongerechtig man is den rechtvaardige een gruwel; maar die recht is van weg, is den goddeloze een gruwel.
26Hij klopt hen samen als goddelozen, in een plaats, waar aanschouwers zijn;
17Een goedertieren mens doet zijn ziel wel; maar die wreed is, beroert zijn vlees.
11Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;
2En het zal geschieden, indien de onrechtvaardige slagen verdiend heeft, dat de rechter hem zal doen nedervallen, en hem doen slaan in zijn tegenwoordigheid, naar dat het voor zijn onrechtvaardigheid genoeg zal zijn, in getal.
8Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.
25Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden den rechtvaardige met den goddeloze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, verre zij het van U! zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?
10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
21Hij liet niemand toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:
18Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.
7De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.
13Weer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven.
30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.
27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
26De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader.
10De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.
11Zekerlijk, de wederspannige zoekt het kwaad; maar een wrede bode zal tegen hem gezonden worden.
15Het is den rechtvaardige een blijdschap recht te doen; maar voor de werkers der ongerechtigheid is het verschrikking.
17Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.
6Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
6Hij laat den goddeloze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt Hij.
10Wordt den goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid, hij drijft onrecht in een gans richtig land, en hij ziet de hoogheid des HEEREN niet aan.
33Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte.
12Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.
14Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:
21Den rechtvaardigen zal geen leed wedervaren; maar de goddelozen zullen met kwaad vervuld worden.
15Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.
2Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.
8Uw goddeloosheid zou zijn tegen een man, gelijk gij zijt, en uw gerechtigheid voor eens mensen kind.
2Nochtans is Hij ook wijs, en Hij doet het kwaad komen, en trekt Zijn woorden niet terug; maar Hij zal Zich opmaken tegen het huis der boosdoeners, en tegen de hulp dergenen, die ongerechtigheid werken.
4Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.
18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.
15Wie den goddeloze rechtvaardigt, en den rechtvaardige verdoemt, zijn den HEERE een gruwel, ja, die beiden.
6Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak.