Psalmen 105:14
Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:
Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
20En zij wandelden van volk tot volk, en van het ene koninkrijk tot een ander volk.
21Hij liet niemand toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:
22Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.
15Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.
13En wandelden van volk tot volk, van het ene koninkrijk tot het andere volk;
22Met welken Mijn hand vast blijven zal; ook zal hem Mijn arm versterken.
5De HEERE is aan Uw rechterhand; Hij zal koningen verslaan ten dage Zijns toorns.
26Het is niet goed, den rechtvaardige ook te doen boeten, dat de prinsen iemand slaan zouden om hetgeen recht is.
6Hij laat den goddeloze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt Hij.
7Hij onttrekt Zijn ogen niet van den rechtvaardige, maar met de koningen zijn zij in den troon; daar zet Hij hen voor altoos, en zij worden verheven.
6Die de volken plaagde in verbolgenheid met een plaag zonder ophouden, die in toorn over de heidenen heerste, die wordt vervolgd, zonder dat het iemand afweren kan.
4Toen zeiden zij: Gij hebt ons niet verongelijkt, en gij hebt ons niet onderdrukt, en gij hebt van niemands hand iets genomen.
35Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten;
36Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien?
10En de koning zeide: Spreekt iemand tegen u, zo breng hem tot mij; en hij zal u voortaan niet meer aantasten.
39Daarna verminderen zij, en komen ten onder, door verdrukking, kwaad en droefenis.
40Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
33Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte.
18Zou men tot een koning zeggen: Gij Belial; tot de prinsen: Gij goddelozen!
19Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.
10Die veel volken sloeg, en machtige koningen doodde;
44Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde.
2De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:
25Maar voor degenen, die hem bestraffen, zal liefelijkheid zijn; en de zegen des goeds zal op hem komen.
12Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.
8Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien;
10Gij, die den koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet van het boze zwaard;
4Doch niemand twiste noch bestraffe iemand; want uw volk is als die met den priester twisten.
38Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn ganse grimmigheid niet op.
16Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden.
20Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah!
5De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn; en hij bestraffe mij, het zal olie des hoofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken; want nog zal ook mijn gebed voor hen zijn in hun tegenspoeden.
26Hij klopt hen samen als goddelozen, in een plaats, waar aanschouwers zijn;
41Gij hebt al zijn muren doorgebroken; Gij hebt zijn vestingen nedergeworpen.
23Gewisselijk, Hij legt den mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden.
30(Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren).
19Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten.
8Want hij zegt: Zijn niet mijn vorsten al te zamen koningen?
14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
12Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.
51Gedenk, HEERE! aan de smaad Uwer knechten, dien ik in mijn boezem draag, van alle grote volken.
12Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.
1Een psalm van David, om te doen gedenken.
14Want de HEERE zal Zijn volk richten, en het zal Hem berouwen over Zijn knechten.
9David daarentegen zeide tot Abisai: Verderf hem niet; want wie heeft zijn hand aan den gezalfde des HEEREN gelegd, en is onschuldig gebleven?
16Want de koning zal horen, om zijn dienstmaagd te redden van de hand des mans, die voorheeft mij en mijn zoon te zamen van Gods erve te verdelgen.
28Hij zond duisternis, en maakte het duister; en zij waren Zijn woord niet wederspannig.
27En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?
2Nochtans is Hij ook wijs, en Hij doet het kwaad komen, en trekt Zijn woorden niet terug; maar Hij zal Zich opmaken tegen het huis der boosdoeners, en tegen de hulp dergenen, die ongerechtigheid werken.
19Tot den tijd toe, dat Zijn woord kwam, heeft hem de rede des HEEREN doorlouterd.