Psalmen 105:13

Statenvertaling (States Bible)

En wandelden van volk tot volk, van het ene koninkrijk tot het andere volk;

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 92%

    19Als gij weinige mensen in getal waart; ja, weinigen en vreemdelingen daarin.

    20En zij wandelden van volk tot volk, en van het ene koninkrijk tot een ander volk.

    21Hij liet niemand toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:

  • Ps 105:11-12
    2 verzen
    79%

    11Zeggende: Ik zal u geven het land Kanaan, het snoer van ulieder erfdeel.

    12Als zij weinig mensen in getal waren, ja, weinig en vreemdelingen daarin;

  • 14Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:

  • 4Die in de woestijn dwaalden, in een weg der wildernis, die geen stad ter woning vonden;

  • Ps 105:43-44
    2 verzen
    71%

    43Alzo voerde Hij Zijn volk uit met vrolijkheid, Zijn uitverkorenen met gejuich.

    44En Hij gaf hun de landen der heidenen, zodat zij in erfenis bezaten den arbeid der volken;

  • 1Toen Israel uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk, dat een vreemde taal had;

  • 70%

    5En in die tijden was er geen vrede voor dengene, die uitging, en dengene, die inkwam; maar vele beroerten waren over al de inwoners van die landen;

    6Dat volk tegen volk, en stad tegen stad in stukken gestoten werden; want God had hen met allen angst verschrikt.

  • 17Hij zond een man voor hun aangezicht henen; Jozef werd verkocht tot een slaaf.

  • Ps 107:39-40
    2 verzen
    69%

    39Daarna verminderen zij, en komen ten onder, door verdrukking, kwaad en droefenis.

    40Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.

  • 15Overal, waarheen zij uittogen, was de hand des HEEREN tegen hen, ten kwade, gelijk als de HEERE gesproken, en gelijk als de HEERE gezworen had; en hun was zeer bang.

  • 4God is in haar paleizen; Hij is er bekend voor een Hoog Vertrek.

  • 15Samech. Zij riepen tot hen: Wijkt, hier is een onreine wijkt, wijkt, roert niet aan! Zekerlijk, zij zijn weggevlogen, ja, weggezworven; zij zeiden onder de heidenen: Zij zullen er niet langer wonen.

  • 68%

    16Want als zij uit Egypte optogen, zo wandelde Israel door de woestijn tot aan de Schelfzee, en kwam te Kades.

    17En Israel zond boden tot de koning der Edomieten, zeggende: Laat mij toch door uw land doortrekken; maar de koning der Edomieten gaf geen gehoor. En hij zond ook tot de koning der Moabieten, die ook niet wilde. Alzo bleef Israel in Kades.

  • 19Denwelken alleen het land gegeven was, en door welker midden niemand vreemds doorging.

  • 27En dat Hij hun zaad zou nedervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zou door de landen.

  • 23Daarna kwam Israel in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham.

  • 21En aangaande het volk, dat zette hij over in de steden, van het ene uiterste der palen van Egypte, tot aan het andere uiterste deszelven.

  • Ps 106:41-42
    2 verzen
    67%

    41En Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen.

    42En hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand.

  • 14Alzo togen zij voort, en wandelden; en de zon ging hun onder bij Gibea, dewelke Benjamins is;

  • 16Hij maakte der struikelenden veel; ja, de een viel op den ander; zodat zij zeiden: Staat op en laat ons wederkeren tot ons volk, en tot het land onzer geboorte, vanwege het verdrukkende zwaard.

  • 55En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer hunner erfenis, en deed de stammen Israels in hun tenten wonen.

  • 18En heeft omtrent den tijd van veertig jaren hun zeden verdragen in de woestijn.

  • 18Totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had.

  • 21Alzo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.

  • 7En Hij leidde hen op een rechten weg, om te gaan tot een stad ter woning.

  • 35Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken.

  • 10Die veel volken sloeg, en machtige koningen doodde;

  • 19En hoedanig het land zij, waarin hetzelve woont, of het goed zij of kwaad; en hoedanig de steden zijn, in dewelke hetzelve woont, of in legers, of in sterkten;

  • 21En een ieder van hen zal daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal geschieden, wanneer hem hongert, en hij zeer toornig zal zijn, dan zal hij vloeken op zijn koning en op zijn God, als hij opwaarts zal zien;

  • 6En God sprak alzo, dat zijn zaad vreemdeling zijn zoude in een vreemd land, en dat zij het zouden dienstbaar maken, en kwalijk handelen, vierhonderd jaren.

  • 17Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door den akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water der putten drinken; wij zullen den koninklijken weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechterhand noch ter linkerhand, totdat wij door uw landpalen zullen getrokken zijn.

  • 66%

    19En Ik verstrooide hen onder de heidenen, en zij werden verspreid in de landen; Ik oordeelde ze naar hun weg en naar hun handelingen.

    20Als zij nu tot de heidenen kwamen, waarhenen zij getogen waren, ontheiligden zij Mijn heiligen Naam, omdat men van hen zeide: Dezen zijn het volk des HEEREN, en zijn uit Zijn land uitgegaan.

  • 5En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden.

  • 20Alzo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde der woestijn.

  • 12En Hij gaf hun land ten erve, ten erve aan Zijn volk Israel.

  • 6En dat land droeg hen niet, om samen te wonen; want hun have was vele, zodat zij samen niet konden wonen.

  • 7Van de goden der volken, die rondom u zijn, nabij u, of verre van u, van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde;

  • 4Hij dan ging door het gebergte van Efraim, en hij ging door het land van Salisa, maar zij vonden ze niet; daarna gingen zij door het land van Sahalim, maar zij waren er niet; verder ging hij door het land van Jemini, doch zij vonden ze niet.

  • 15Dat onze vaders naar Egypte afgetogen zijn, en wij in Egypte vele dagen gewoond hebben; en dat de Egyptenaars aan ons en onze vaderen kwaad gedaan hebben.

  • 15Nochtans zijn zij ons zeer goede mannen geweest; en wij hebben geen smaadheid geleden, en wij hebben niets gemist al de dagen, die wij met hen verkeerd hebben, toen wij op het veld waren.

  • 20Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah!