Klaagliederen 3:33

Statenvertaling (States Bible)

Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ezech 33:11 : 11 Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels?
  • Heb 12:9-9 : 9 Voorts, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven? 10 Want genen hebben ons wel voor een korten tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden.
  • Ezech 18:32 : 32 Want Ik heb geen lust aan den dood des stervenden, spreekt de Heere HEERE; daarom bekeert u en leeft.
  • Jes 28:21 : 21 Want de HEERE zal Zich opmaken, gelijk op den berg Perazim, Hij zal beroerd zijn, gelijk in het dal van Gibeon, om Zijn werk te doen, Zijn werk zal vreemd zijn; en om Zijn daad te doen, Zijn daad zal vreemd zijn!

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 85%

    31Caph. Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid.

    32Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid Zijner goedertierenheden.

  • 23Gewisselijk, Hij legt den mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden.

  • Ps 103:9-10
    2 verzen
    73%

    9Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden.

    10Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.

  • 34Lamed. Dat men al de gevangenen der aarde onder Zijn voeten verbrijzelt;

  • 22Met welken Mijn hand vast blijven zal; ook zal hem Mijn arm versterken.

  • 72%

    38Mem. Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?

    39Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.

  • Ex 22:22-23
    2 verzen
    71%

    22Gij zult geen weduwe noch wees beledigen.

    23Indien gij hen enigszins beledigt, en indien zij enigszins tot Mij roepen, Ik zal hun geroep zekerlijk verhoren;

  • Job 5:17-18
    2 verzen
    71%

    17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.

    18Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.

  • Spr 3:11-12
    2 verzen
    71%

    11Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;

    12Want de HEERE kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja, gelijk een vader den zoon, in denwelken hij een welbehagen heeft.

  • 12Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.

  • 1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.

  • 24Gij, die den HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israel!

  • 6Want uit het stof komt het verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde;

  • 5Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd.

  • 38Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn ganse grimmigheid niet op.

  • 30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.

  • 26Het is niet goed, den rechtvaardige ook te doen boeten, dat de prinsen iemand slaan zouden om hetgeen recht is.

  • 28Opdat Hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhore.

  • 10Daarom, gij, lieden van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht!

  • 13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.

  • 35Hij zal geen verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het geschenk vergroot.

  • 13Hetzij dat Hij die tot een roede, of tot Zijn land, of tot weldadigheid beschikt.

  • 19Koph. De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.

  • 21Hij liet niemand toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:

  • 18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.

  • 17Want de goddeloosheid brandt als vuur, doornen en distelen zal zij verteren, en zal aansteken de verwarde struiken des wouds, die zich verheven hebben als de verheffing des rooks.

  • 17Een goedertieren mens doet zijn ziel wel; maar die wreed is, beroert zijn vlees.

  • 21Wacht u, wend u niet tot ongerechtigheid; overmits gij ze in dezen verkoren heb, uit oorzake van de ellende.

  • 1Een psalm van David, om te doen gedenken.

  • 14Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:

  • 23Den Almachtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet.

  • 12Alzo zegt de HEERE: Zijn zij voorspoedig, en alzo velen, alzo zullen zij ook geschoren worden, en hij zal doorgaan; Ik heb u wel gedrukt, maar Ik zal u niet meer drukken.

  • 19Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;

  • 20Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?

  • Job 30:24-25
    2 verzen
    68%

    24Maar Hij zal tot een aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking?

    25Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?

  • 44Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde.

  • 21De onvruchtbare, die niet baart, teert hij af, en aan de weduwe doet hij niets goeds.

  • 22Maar zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart; en zijn ziel, in hem zijnde, heeft rouw.

  • 8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.

  • 10En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun bozen weg; en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet.

  • 18Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid.

  • 43Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood, Gij hebt niet verschoond.

  • 29Zie, dit alles werkt God tweemaal of driemaal met een man;