Job 5:6

Statenvertaling (States Bible)

Want uit het stof komt het verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Deut 32:27 : 27 Ten ware, dat Ik de toornigheid des vijands schroomde, dat niet hun tegenpartijen zich vreemd mochten houden; dat zij niet mochten zeggen: Onze hand is hoog geweest; de HEERE heeft dit alles niet gewrocht.
  • 1 Sam 6:9 : 9 Ziet dan toe, indien zij den weg van haar landpale opgaat naar Beth-Semes, zo heeft Hij ons dit groot kwaad gedaan; maar zo niet, zo zullen wij weten, dat Zijn hand ons niet geraakt heeft; het is ons een toeval geweest.
  • Job 34:29 : 29 Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen?
  • Ps 90:7 : 7 Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.
  • Jes 45:7 : 7 Ik formeer het licht, en schep de duisternis; Ik maak den vrede en schep het kwaad, Ik, de HEERE, doe al deze dingen.
  • Klaagl 3:38 : 38 Mem. Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?
  • Hos 10:4 : 4 Zij hebben woorden gesproken, valselijk zwerende in het verbond maken; daarom zal het oordeel als een vergiftig kruid groenen, op de voren der velden.
  • Am 3:6 : 6 Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere? zal er een kwaad in de stad zijn, dat de HEERE niet doet?
  • Heb 12:15 : 15 Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make en door dezelve velen ontreinigd worden.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 5:7-8
    2 verzen
    84%

    7Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tot vliegen.

    8Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;

  • Job 5:4-5
    2 verzen
    72%

    4Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poort, en er was geen verlosser.

    5Wiens oogst de hongerige verteerde, dien hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in.

  • 5Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd.

  • 1De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust.

  • 33Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte.

  • Job 5:16-19
    4 verzen
    70%

    16Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.

    17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.

    18Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.

    19In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren.

  • 70%

    38Mem. Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?

    39Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.

  • 19Zie, dat is vreugde zijns wegs; en uit het stof zullen anderen voortspruiten.

  • Job 28:5-6
    2 verzen
    69%

    5Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware.

    6Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.

  • 6Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals.

  • 21Wacht u, wend u niet tot ongerechtigheid; overmits gij ze in dezen verkoren heb, uit oorzake van de ellende.

  • 2Gelijk de mus is tot wegzweven, gelijk een zwaluw tot vervliegen, alzo zal een vloek, die zonder oorzaak is, niet komen.

  • Pred 5:14-15
    2 verzen
    67%

    14Gelijk als hij voortgekomen is uit zijner moeders buik, alzo zal hij naakt wederkeren, gaande gelijk hij gekomen was; en hij zal niet medenemen van zijn arbeid, dat hij met zijn hand zou wegdragen.

    15Daarom is dit ook een kwaad, dat krankheid aanbrengt; dat hij in alle manier, gelijk hij gekomen is, alzo heengaat; en wat voordeel is het hem, dat hij in den wind gearbeid heeft?

  • 26Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.

  • 6De tenten der verwoesters hebben rust, en die Gode tergen, hebben verzekerdheden, om hetgene God met Zijn hand toebrengt.

  • 29Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde.

  • 8Maar gelijk als ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien dezelve.

  • 4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,

  • 15Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij.

  • 1Er is een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, en het is veel onder de mensen:

  • 17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;

  • 6Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land.

  • 24Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde.

  • 9Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?

  • 24Maar Hij zal tot een aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking?

  • 10Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.

  • 6In het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des goddelozen inkomst is beroerte.

  • 66%

    5Zal een vogel in den strik op de aarde vallen, als er geen strik voor hem is? Zal men den strik van den aardbodem opnemen, als men ganselijk niet heeft gevangen?

  • 22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.

  • 19Koph. De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.

  • 7Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;

  • 9Wat denkt gijlieden tegen den HEERE? Hij zal zelf een voleinding maken; de benauwdheid zal niet tweemaal op rijzen.

  • 5Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.

  • 13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?

  • 8En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;

  • 20Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?

  • 16Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.

  • 13De HEERE zal richten tussen mij en tussen u, en de HEERE zal mij wreken aan u; maar mijn hand zal niet tegen u zijn.

  • 6Hoeveel te min de mens, die een made is, en des mensen kind, die een worm is!

  • 1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.

  • 23Den Almachtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet.

  • 11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.