Job 5:16
Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.
Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15Maar Hij verlost den behoeftige van het zwaard, van hun mond, en van de hand des sterken.
15Hij zal den ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hunlieder oor openbaren.
42De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid stopt haar mond.
18De goddelozen zullen terugkeren, naar de hel toe, alle godvergetende heidenen.
29Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.
16Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.
13Die zijn oor stopt voor het geschrei des armen, die zal ook roepen, en niet verhoord worden.
8Open uw mond voor den stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden.
9Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.
31Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.
32De goddeloze zal heengedreven worden in zijn kwaad; maar de rechtvaardige betrouwt zelfs in zijn dood.
15Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.
28Opdat Hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhore.
5Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.
5Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?
8Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet.
6Hij laat den goddeloze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt Hij.
12Een man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man des gewelds, dien zal men jagen, totdat hij geheel verdreven is.
3Een arm man, die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zodat er geen brood zij.
6Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de HEERE zijn Toevlucht is.
7De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet.
23Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.
16Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe laten versmachten;
4Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen versteken zich de ellendigen des lands.
23De arme spreekt smekingen; maar de rijke antwoordt harde dingen.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
4Hoort dit, gij, die den nooddruftige opslokt! en dat om te vernielen de ellendigen des lands;
19En de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben in den HEERE; en de behoeftigen onder de mensen zullen zich in de Heilige Israels verheugen.
22Beroof den arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel den ellendige niet in de poort.
6De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.
4Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.
20De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers des rijken zijn vele.
21Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.
28De hoop der rechtvaardigen is blijdschap; maar de verwachting der goddelozen zal vergaan.
16Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
13De arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de HEERE verlicht hun beider ogen.
5Wiens oogst de hongerige verteerde, dien hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in.
27Die den armen geeft, zal geen gebrek hebben; maar die zijn ogen verbergt, zal veel vervloekt worden.
15Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen?
2De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.
11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
17Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
8Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengene, die zich des armen ontfermt.
12Want hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.
9Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
21Het geluid der verschrikkingen is in zijn oren; in den vrede zelven komt de verwoester hem over.
9De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der wezen zijn verbrijzeld.