Spreuken 29:13
De arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de HEERE verlicht hun beider ogen.
De arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de HEERE verlicht hun beider ogen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2Rijken en armen ontmoeten elkander; de HEERE heeft hen allen gemaakt.
14Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
2Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle inwoners der wereld,
31Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.
7De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet.
3Een arm man, die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zodat er geen brood zij.
27Die den armen geeft, zal geen gebrek hebben; maar die zijn ogen verbergt, zal veel vervloekt worden.
7De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.
8Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen den stoel der ere doe beerven; want de grondvesten des aardrijks zijn des HEEREN, en Hij heeft de wereld daarop gezet.
9Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood den armen gegeven.
16Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.
11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
18En te dien dage zullen de doven horen de woorden des Boeks; en de ogen der blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien.
19En de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben in den HEERE; en de behoeftigen onder de mensen zullen zich in de Heilige Israels verheugen.
7Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt;
6De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.
12Een heerser, die op leugentaal acht geeft, al zijn dienaars zijn goddeloos.
8De HEERE opent de ogen der blinden; de HEERE richt de gebogenen op; de HEERE heeft de rechtvaardigen lief.
22De wens des mensen is zijn weldadigheid; maar de arme is beter dan een leugenachtig man.
28En Gij verlost het bedrukte volk; maar Uw ogen zijn tegen de hogen, Gij zult hen vernederen.
8Het voordeel des aardrijks is voor allen: de koning zelfs wordt van het veld gediend.
17Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
20De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers des rijken zijn vele.
21Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.
6Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de HEERE zijn Toevlucht is.
33De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.
15Maar Hij verlost den behoeftige van het zwaard, van hun mond, en van de hand des sterken.
16Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.
19Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.
16Hij heeft de rechtzaak des ellendigen en nooddruftigen gericht, toen ging het hem wel; is dat niet Mij te kennen? spreekt de HEERE.
9Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.
9Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.
14Met het licht staat de moorder op, doodt den arme en den nooddruftige; en des nachts is hij als een dief.
15Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na.
12Een man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man des gewelds, dien zal men jagen, totdat hij geheel verdreven is.
14Gij ziet het immers; want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, Gij zijt geweest een Helper van den wees.
15Hij zal den ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hunlieder oor openbaren.
6Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak.
22Beroof den arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel den ellendige niet in de poort.
2Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.
3Doet recht den arme en den wees; rechtvaardigt den verdrukte en den arme.
3De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden.
13Die zijn oor stopt voor het geschrei des armen, die zal ook roepen, en niet verhoord worden.
4Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen versteken zich de ellendigen des lands.
28Opdat Hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhore.
12Want hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.
2De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
29Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God den nederige van ogen behouden.