Spreuken 29:12
Een heerser, die op leugentaal acht geeft, al zijn dienaars zijn goddeloos.
Een heerser, die op leugentaal acht geeft, al zijn dienaars zijn goddeloos.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.
3Zij verblijden den koning met hun boosheid, en de vorsten met hun leugenen.
9Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal vergaan.
10De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
25Maar indien gij voortaan kwaad doet, zo zult gijlieden, als ook uw koning, omkomen.
4Als de geest des heersers tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.
5Er is nog een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, als een dwaling, die van het aangezicht des oversten voortkomt.
22Valse lippen zijn den HEERE een gruwel; maar die trouwelijk handelen, zijn Zijn welgevallen.
21Geef ook uw hart niet tot alle woorden, die men spreekt, opdat gij niet hoort, dat uw knecht u vloekt.
1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.
2Als de rechtvaardigen groot worden, verblijdt zich het volk; maar als de goddeloze heerst, zucht het volk.
35Het welbehagen des konings is over een verstandigen knecht; maar zijn verbolgenheid zal zijn over dengene, die beschaamd maakt.
13De arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de HEERE verlicht hun beider ogen.
14Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.
26Velen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE.
7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.
15De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weder loopt.
16Een vorst, die van alle verstand gebrek heeft, is ook veelvoudig in verdrukkingen; maar die de gierigheid haat, zal de dagen verlengen.
7Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugenen spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden.
19Een knecht zal door de woorden niet getuchtigd worden; hoewel hij u verstaat, nochtans zal hij niet antwoorden.
10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
14Zo gij den HEERE zult vrezen, en Hem dienen, en naar Zijn stem horen, en den mond des HEEREN niet wederspannig zijt, zo zult gijlieden, zowel gij als de koning, die over u regeren zal, achter den HEERE, uw God, zijn.
5Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal niet ontkomen.
17Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,
4Waar het woord des konings is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij?
12De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.
17Die waarheid voortbrengt, maakt gerechtigheid bekend; maar een getuige der valsheden, bedrog.
20Bedrog is in het hart dergenen, die kwaad smeden; maar degenen die vrede raden, hebben blijdschap.
12Wanneer gij van een uwer steden, die de HEERE, uw God, u geeft, om aldaar te wonen, zult horen zeggen:
22Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is;
12Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
16Daarom zal zich de Heere niet verblijden over hun jongelingen, en hunner wezen en hunner weduwen zal Hij zich niet ontfermen, want zij zijn allen te zamen huichelaars en boosdoeners, en alle mond spreekt dwaasheid. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
5Een waarachtig getuige zal niet liegen; maar een vals getuige blaast leugens.
18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
5De rechtvaardige haat leugentaal; maar de goddeloze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan.
44Waarlijk, Ik zeg ulieden, dat hij hem over al zijn goederen zetten zal.
4Een koning houdt het land staande door het recht; maar een, die tot geschenken genegen is, verstoort hetzelve.
5Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen.
3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
3De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden.
5Der rechtvaardigen gedachten zijn recht; der goddelozen raadslagen zijn bedrog.
21Als men zijn knecht van jongs op weeldig houdt, hij zal in zijn laatste een zoon willen zijn.
2Om de overtreding des lands zijn deszelfs vorsten vele; maar om verstandige en wetende mensen zal insgelijks verlenging wezen.
11Indien zij horen, en Hem dienen, zo zullen zij hun dagen eindigen in het goede, en hun jaren in liefelijkheden.
18Zou men tot een koning zeggen: Gij Belial; tot de prinsen: Gij goddelozen!
5En zij handelen bedriegelijk, een ieder met zijn vriend, en spreken de waarheid niet; zij leren hun tong leugen spreken, zij maken zich moede met verkeerdelijk te handelen.
28Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting.