Spreuken 16:10
Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
11Een rechte waag en weegschaal zijn des HEEREN; alle weegstenen des zaks zijn Zijn werk.
12Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.
30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
31De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
8Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.
9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
4Waar het woord des konings is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij?
5Wie het gebod onderhoudt, zal niets kwaads gewaar worden; en het hart eens wijzen zal tijd en wijze weten.
1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
8Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.
13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
20De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.
11De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.
15Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid.
16Door Mij heersen de heersers, en de prinsen, al de rechters der aarde.
7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
14Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.
11Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning.
12De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.
6Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
6Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.
3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
28Weldadigheid en waarheid bewaren den koning; en door weldadigheid ondersteunt hij zijn troon.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
26Velen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
2De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.
13In de overtreding der lippen is de strik des bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen.
30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.
1Ziet, een koning zal regeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heersen naar recht.
8Een koning, zittende op den troon des gerichts, verstrooit alle kwaad met zijn ogen.
4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.
4Een koning houdt het land staande door het recht; maar een, die tot geschenken genegen is, verstoort hetzelve.
4De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.
4En de sterkte des Konings, die het recht lief heeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.
33Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van den HEERE.