Spreuken 22:11
Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning.
Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.
15In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
12De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
28Weldadigheid en waarheid bewaren den koning; en door weldadigheid ondersteunt hij zijn troon.
9Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel.
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
22Valse lippen zijn den HEERE een gruwel; maar die trouwelijk handelen, zijn Zijn welgevallen.
4Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;
2Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.
35Het welbehagen des konings is over een verstandigen knecht; maar zijn verbolgenheid zal zijn over dengene, die beschaamd maakt.
6Velen smeken het aangezicht des prinsen; en een ieder is een vriend desgenen, die giften geeft.
2Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt;
4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.
10Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad, en zijn lippen, dat zij geen bedrog spreken;
26Des bozen gedachten zijn den HEERE een gruwel; maar der reinen zijn liefelijke redenen.
7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
9Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weder ophaalt, scheidt den voornaamsten vriend.
3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.
19Die het gekijf liefheeft, heeft de overtreding lief; die zijn deur verhoogt, zoekt verbreking.
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
24Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder.
8Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen.
8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.
27Bij den reine houdt Gij U rein; maar bij den verkeerde houdt Gij U verdraaid.
140Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.
5Die met vleiing den vrienden wat aanzegt, ook zijner kinderen ogen zullen versmachten.
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
10Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.
24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
20De verkeerden van hart zijn den HEERE een gruwel; maar de oprechten van weg zijn Zijn welgevallen.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
17Ijzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten.
5Doe den goddelozen weg van het aangezicht des konings, en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.
1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
26Men zal de lippen kussen desgenen, die rechte woorden antwoordt.
1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
14Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
15Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.