Spreuken 20:15
Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.
Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
10Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.
11Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken.
15Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen.
16Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken Schoham, en den Saffier.
17Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud.
18De Ramoth en Gabisch zal niet gedacht worden; want de trek der wijsheid is meerder dan der Robijnen.
19Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden.
20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
14Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud.
15Zij is kostelijker dan robijnen en al; wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken.
16Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer.
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
3Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
14Het is kwaad, het is kwaad! zal de koper zeggen; maar als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
20In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks.
16Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver!
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
16Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed; en pand hem voor de onbekenden.
4En door wetenschap worden de binnenkameren vervuld met alle kostelijk en liefelijk goed.
23In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek.
24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
20De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.
21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
11Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.
12Want de wijsheid is tot een schaduw, en het geld is tot een schaduw; maar de uitnemendheid der wetenschap is, dat de wijsheid haar bezitters het leven geeft.
22Een schone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden bagge in een varkenssnuit.
1De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.
6Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.
14Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.
10Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
8Het geschenk is in de ogen zijner heren een aangenaam gesteente; waarhenen het zich zal wenden, zal het wel gedijen.
10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
4De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
10De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.
4Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten;
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
6Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene ijdelheid dergenen, die den dood zoeken.