Spreuken 14:3
In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
13In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
7De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
15De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
3Een zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en een roede voor den rug der zotten.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
18De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.
35De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.
3Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.
23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.
5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
3En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk, dat hij dwaas is.
2Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid.
32Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!
18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.