Spreuken 14:24
Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
18De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
9Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
24In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
35De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.
16Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?
7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.
20In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks.
23In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
14De ogen des wijzen zijn in zijn hoofd, maar de zot wandelt in de duisternis. Toen bemerkte ik ook, dat enerlei geval hun allen bejegent.
23Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.
5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
4Het hart der wijzen is in het klaaghuis; maar het hart der zotten in het huis der vreugde.
29Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn desgenen, die wijs van hart is.
17De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.
2De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.
14De dwaas maakt wel veel woorden; maar de mens weet niet, wat het zij, dat geschieden zal; en wat na hem geschieden zal, wie zal het hem te kennen geven?
15De arbeid der zotten maakt een iegelijk van hen moede; dewijl zij niet weten naar de stad te gaan.
3En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk, dat hij dwaas is.
32Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
10De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!
12Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
8Want wat heeft de wijze meer dan de zot? Wat heeft de arme meer, die voor de levenden weet te wandelen?
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
6Want gelijk het geluid der doornen onder een pot is, alzo is het lachen eens zots. Dit is ook ijdelheid.
9Gelijk een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten.
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
24Want de schat is niet tot in eeuwigheid; of zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn?