Spreuken 10:14
De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.
14De dwaas maakt wel veel woorden; maar de mens weet niet, wat het zij, dat geschieden zal; en wat na hem geschieden zal, wie zal het hem te kennen geven?
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
6De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
13In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.
21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
18De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
7De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.
7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.
24In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
20In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
23Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
3Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.
17De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
20Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
5Een wijs man is sterk; en een man van wetenschap maakt de kracht vast.
15Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
2De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.
32Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.
15Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring.