Spreuken 10:13
In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.
In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
10De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
3Een zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en een roede voor den rug der zotten.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
15De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
25Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
24Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging.
15De roede, en de bestraffing geeft wijsheid; maar een kind, dat aan zichzelf gelaten is, beschaamt zijn moeder.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!
23Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.
27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
6De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
12Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
11Als men den spotter straft, wordt de slechte wijs; en als men den wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan.
10Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.
13Weer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven.
29Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
1Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig.
8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.
24In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
10Indien hij het ijzer heeft stomp gemaakt, en hij slijpt de snede niet, dan moet hij meerder kracht te werk stellen; maar de wijsheid is een uitnemende zaak, om iets recht te maken.
18De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.