Spreuken 13:10
Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.
Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid.
11Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.
18Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.
19Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen.
10Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.
14Het begin des krakeels is gelijk een, die het water opening geeft; daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
13In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
12Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
18De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
3Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande versmaadheid.
22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
23De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.
9Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
25Die grootmoedig is, verwekt gekijf; maar die op den HEERE vertrouwt, zal vet worden.
9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
35De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.
3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.
24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
13Wie is wijs en verstandig onder u? die bewijze uit zijn goeden wandel zijn werken in zachtmoedige wijsheid.
14Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!
13De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.
8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.
12Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.
18De wijsheid is beter dan de krijgswapenen, maar een enig zondaar verderft veel goeds.
33De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
10De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.
4Die is opgeblazen, en weet niets, maar hij raast omtrent twist vragen en woordenstrijd; uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade nadenkingen.
7De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.
5De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek.
16Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel.