Spreuken 21:5

Statenvertaling (States Bible)

De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 10:4 : 4 Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.
  • Spr 13:4 : 4 De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.
  • Spr 14:29 : 29 De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
  • Spr 27:23-27 : 23 Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden. 24 Want de schat is niet tot in eeuwigheid; of zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn? 25 Als het gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden. 26 De lammeren zullen zijn tot uw kleding, en de bokken de prijs des velds. 27 Daartoe zult gij genoegzaamheid van geitenmelk hebben tot uw spijze, tot spijze van uw huis, en leeftocht uwer maagden.
  • Spr 28:22 : 22 Die zich haast naar goed, is een man van een boos oog; maar hij weet niet, dat het gebrek hem overkomen zal.
  • Ef 4:28 : 28 Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te delen dengene, die nood heeft.
  • 1 Thess 4:11-12 : 11 En dat gij u benaarstigt stil te zijn, en uw eigen dingen te doen, en te werken met uw eigen handen, gelijk wij u bevolen hebben; 12 Opdat gij eerlijk wandelt bij degenen, die buiten zijn, en geen ding van node hebt.
  • Spr 20:21 : 21 Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 22Die zich haast naar goed, is een man van een boos oog; maar hij weet niet, dat het gebrek hem overkomen zal.

  • 4De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.

  • 4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.

  • Spr 28:19-20
    2 verzen
    76%

    19Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, zal met armoede verzadigd worden.

    20Een gans getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; maar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen.

  • 27Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.

  • 21Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden.

  • Spr 14:23-24
    2 verzen
    74%

    23In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek.

    24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.

  • Spr 13:10-12
    3 verzen
    74%

    10Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.

    11Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.

    12De uitgestelde hoop krenkt het hart; maar de begeerte, die komt, is een boom des levens.

  • Spr 21:25-26
    2 verzen
    74%

    25De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.

    26Den gansen dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden.

  • 6Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene ijdelheid dergenen, die den dood zoeken.

  • 29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.

  • 19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.

  • 24De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.

  • Spr 11:23-24
    2 verzen
    72%

    23De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede; maar de verwachting der goddelozen is verbolgenheid.

    24Er is een, die uitstrooit, denwelken nog meer toegedaan wordt; en een, die meer inhoudt dan recht is, maar het is tot gebrek.

  • 15Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.

  • 27Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het kwade natracht, dien zal het overkomen.

  • 4Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft.

  • 11Die zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, is verstandeloos.

  • 23Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.

  • 4Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.

  • 23Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.

  • 21Alzo is het met dien, die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God.

  • 19Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.

  • 16Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.

  • 20In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks.

  • 20Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.

  • 2Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.

  • 9Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.

  • 6Een hand vol met rust is beter, dan beide de vuisten vol met arbeid en kwelling des geestes.

  • 29Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn desgenen, die wijs van hart is.

  • 5Der rechtvaardigen gedachten zijn recht; der goddelozen raadslagen zijn bedrog.

  • 26De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem.

  • 27Die gierigheid pleegt, beroert zijn huis; maar die geschenken haat, zal leven.

  • 16Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.

  • 6Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.

  • 19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.

  • 11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.

  • 10Waar het goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen ook die het eten; wat nuttigheid hebben dan de bezitters daarvan, dan het gezicht hunner ogen?

  • 9Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang.

  • 18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.

  • 17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.

  • 6En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien.

  • 25Die grootmoedig is, verwekt gekijf; maar die op den HEERE vertrouwt, zal vet worden.

  • 15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.