Spreuken 12:27
Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.
Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.
15Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.
25De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.
26Den gansen dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden.
19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
24De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.
2Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.
3De HEERE laat de ziel des rechtvaardigen niet hongeren; maar de have der goddelozen stoot Hij weg.
4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.
5Die in den zomer vergadert, is een verstandig zoon; maar die in den oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.
13De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.
14Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.
15De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.
16De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden.
24Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.
13De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!
9Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.
5De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek.
6Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene ijdelheid dergenen, die den dood zoeken.
28In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.
4Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.
9Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?
30Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;
26De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg der goddelozen doet hen dwalen.
19Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, zal met armoede verzadigd worden.
20Een gans getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; maar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen.
11Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.
6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
10De rechtvaardige kent het leven van zijn beest; maar de barmhartigheden der goddelozen zijn wreed.
11Die zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, is verstandeloos.
12De goddeloze begeert het net der bozen; maar de wortel der rechtvaardigen zal uitgeven.
21Alzo is het met dien, die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God.
15Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.
29Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is? Hij zal voor het aangezicht der koningen gesteld worden; voor het aangezicht der ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden.
22De goede zal zijner kinders kinderen doen erven; maar het vermogen des zondaars is voor de rechtvaardige weggelegd.
23Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.
11Gelijk een veldhoen eieren vergadert, maar broedt ze niet uit, alzo is hij, die rijkdom vergadert, doch niet met recht; in de helft zijner dagen zal hij dien moeten verlaten, en in zijn laatste een dwaas zijn.
12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
26De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem.
20In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks.
30Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft;
16Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.
19Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.
26Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den ogen is zo is de luie dengenen, die hem uitzenden.
17Zekerlijk, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte;
16Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
23Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.
33Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;
12Er is een kwaad, dat krankheid aanbrengt, hetwelk ik zag onder de zon: rijkdom van zijn bezitters bewaard tot hun eigen kwaad.