Spreuken 24:33

Statenvertaling (States Bible)

Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 6:4-9 : 4 Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering. 5 Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers. 6 Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs; 7 Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende, 8 Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst. 9 Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan? 10 Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende; 11 Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
  • Rom 13:11 : 11 En dit zeg ik te meer, dewijl wij de gelegenheid des tijds weten, dat het de ure is, dat wij nu uit den slaap opwaken; want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben.
  • Ef 5:14 : 14 Daarom zegt Hij: Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten.
  • 1 Thess 5:6-8 : 6 Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn. 7 Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken; 8 Maar wij, die des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm, de hoop der zaligheid.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Spr 6:9-11
    3 verzen
    94%

    9Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?

    10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;

    11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.

  • 34Zo zal uw armoede u overkomen, als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.

  • 13Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uw ogen, verzadig u met brood.

  • 15Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.

  • 4Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.

  • Spr 24:30-32
    3 verzen
    77%

    30Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;

    31En ziet, hij was gans opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt, en zijn stenen scheidsmuur was afgebroken.

    32Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, en nam onderwijzing aan;

  • 12Er is een kwaad, dat krankheid aanbrengt, hetwelk ik zag onder de zon: rijkdom van zijn bezitters bewaard tot hun eigen kwaad.

  • 15In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger;

  • 2Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.

  • Spr 26:14-15
    2 verzen
    75%

    14Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.

    15De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.

  • 36Opdat hij niet onvoorziens kome, en u slapende vinde.

  • 18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.

  • 24Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.

  • 24De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.

  • Spr 10:4-5
    2 verzen
    73%

    4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.

    5Die in den zomer vergadert, is een verstandig zoon; maar die in den oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.

  • 13Onder de gedachten van de gezichten des nachts, als diepe slaap valt op de mensen;

  • 16Want zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zo zij niet iemand hebben doen struikelen.

  • 26(Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.)

  • 25De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.

  • 5Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap.

  • 4Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;

  • 24Zo gij nederligt, zult gij niet schrikken; maar gij zult nederliggen en uw slaap zal zoet wezen.

  • 20Want het bed zal korter zijn, dan dat men zich daarop uitstrekken kunne; en het deksel zal te smal wezen, als men zich daaronder voegt.

  • Pred 4:5-6
    2 verzen
    71%

    5De zot vouwt zijn handen samen, en eet zijn eigen vlees.

    6Een hand vol met rust is beter, dan beide de vuisten vol met arbeid en kwelling des geestes.

  • 21Want een zuiper en vraat zal arm worden; en de sluimering doet verscheurde klederen dragen.

  • 16Als ik mijn hart begaf, om wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid, die op de aarde geschiedt, dat men ook, des daags of des nachts, den slaap niet ziet met zijne ogen;

  • 4De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.

  • 10Vertoont gij u slap ten dage uwer benauwdheid, uw kracht is nauw.

  • 70%

    6Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.

    7Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken;

  • 5Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen.

  • 13Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;

  • 4Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.

  • 12Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden.

  • 9Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.

  • 46En Hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.

  • 45Toen kwam Hij tot Zijn discipelen, en zeide tot hen: Slaapt nu voort, en rust; ziet, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.

  • 43Maar weet dit, dat zo de heer des huizes geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven.

  • 13De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!

  • 23Stelt hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen.

  • 27Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.

  • 41En Hij kwam ten derden male, en zeide tot hen: Slaapt nu voort, en rust; het is genoeg, de ure is gekomen; ziet, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.