Job 4:13

Statenvertaling (States Bible)

Onder de gedachten van de gezichten des nachts, als diepe slaap valt op de mensen;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Gen 2:21 : 21 Toen deed de HEERE God een diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam een van zijn ribben, en sloot derzelver plaats toe met vlees.
  • Gen 15:12 : 12 En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.
  • Job 33:14-16 : 14 Maar God spreekt eens of tweemaal; doch men let niet daarop. 15 In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger; 16 Dan openbaart Hij het voor het oor der lieden, en Hij verzegelt hun kastijding;
  • Dan 2:19 : 19 Toen werd aan Daniel in een nachtgezicht de verborgenheid geopenbaard; toen loofde Daniel den God des hemels.
  • Dan 2:28-29 : 28 Maar er is een God in den hemel, Die verborgenheden openbaart, Die heeft den koning Nebukadnezar bekend gemaakt, wat er geschieden zal in het laatste der dagen; uw droom, en de gezichten uws hoofds op uw leger, zijn deze: 29 Gij, o koning! op uw leger zijnde, klommen uw gedachten op, wat hierna geschieden zou; en Hij, Die verborgen dingen openbaart, heeft u te kennen gegeven, wat er geschieden zal.
  • Dan 4:5 : 5 Zag een droom, die mij vervaarde, en de gedachten, die ik op mijn bed had, en de gezichten mijns hoofds beroerden mij.
  • Dan 8:18 : 18 Als hij nu met mij sprak, viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht ter aarde; toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijn standplaats.
  • Dan 10:9 : 9 En ik hoorde de stem Zijner woorden; en toen ik de stem Zijner woorden hoorde, zo viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde.
  • Gen 20:3 : 3 Maar God kwam tot Abimelech in een droom des nachts, en Hij zeide tot hem: Zie, gij zijt dood om der vrouwe wil, die gij weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.
  • Gen 28:12 : 12 En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder.
  • Gen 31:24 : 24 Doch God kwam tot Laban, den Syrier, in een droom des nachts, en Hij zeide tot hem: Wacht u, dat gij met Jakob spreekt, noch goed, noch kwaad.
  • Gen 46:2 : 2 En God sprak tot Israel in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie, hier ben ik!
  • Num 12:6 : 6 En Hij zeide: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, de HEERE, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken.
  • Num 22:19-20 : 19 En nu, blijft gijlieden toch ook hier dezen nacht, opdat ik wete, wat de HEERE tot mij verder spreken zal. 20 God nu kwam tot Bileam des nachts, en zeide tot hem: Dewijl die mannen gekomen zijn, om u te roepen, sta op, ga met hen; en nochtans zult gij dat doen, hetwelk Ik tot u spreken zal.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 33:14-15
    2 verzen
    89%

    14Maar God spreekt eens of tweemaal; doch men let niet daarop.

    15In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger;

  • 5Zag een droom, die mij vervaarde, en de gedachten, die ik op mijn bed had, en de gezichten mijns hoofds beroerden mij.

  • Job 4:14-16
    3 verzen
    78%

    14Kwam mij schrik en beving over, en verschrikte de veelheid mijner beenderen.

    15Toen ging voorbij mijn aangezicht een geest; hij deed het haar mijns vleses te berge rijzen.

    16Hij stond, doch ik kende zijn gedaante niet; een beeltenis was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende:

  • Job 7:13-14
    2 verzen
    77%

    13Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klacht wat wegnemen;

    14Dan ontzet Gij mij met dromen, en door gezichten verschrikt Gij mij;

  • 4Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan den schemertijd.

  • 12Voorts is tot mij een woord heimelijk gebracht, en mijn oor heeft een weinigje daarvan gevat;

  • 13Ik zag verder in de gezichten mijns hoofds, op mijn leger; en ziet, een wachter, namelijk een heilige, kwam af van den hemel,

  • 26(Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.)

  • Spr 3:24-25
    2 verzen
    74%

    24Zo gij nederligt, zult gij niet schrikken; maar gij zult nederliggen en uw slaap zal zoet wezen.

    25Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt.

  • 4De hoorder der redenen Gods spreekt, die het gezicht des Almachtigen ziet; die verrukt wordt, en wien de ogen ontdekt worden!

  • 16Want zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zo zij niet iemand hebben doen struikelen.

  • 6Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.

  • 4Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving.

  • 4Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;

  • 16Als ik mijn hart begaf, om wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid, die op de aarde geschiedt, dat men ook, des daags of des nachts, den slaap niet ziet met zijne ogen;

  • 9En ik hoorde de stem Zijner woorden; en toen ik de stem Zijner woorden hoorde, zo viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde.

  • 33Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;

  • 17Des nachts doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet.

  • 12Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden.

  • 13Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;

  • 72%

    4Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal horen, als ik tot Hem roep.

  • 4Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.

  • 29Gij, o koning! op uw leger zijnde, klommen uw gedachten op, wat hierna geschieden zou; en Hij, Die verborgen dingen openbaart, heeft u te kennen gegeven, wat er geschieden zal.

  • 4Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.

  • 10De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden der aarde, en zijn hoogte was groot.

  • 12En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.

  • 11Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.

  • 40Ik ben geweest, dat mij bij dag de hitte verteerde, en bij nacht de vorst, en dat mijn slaap van mijn ogen week.

  • 7Indien gij de onderdrukking des armen, en de beroving des gerichts en der gerechtigheid ziet in een landschap, verwonder u niet over zulk een voornemen; want die hoger is dan de hoge, neemt er acht op; en daar zijn hogen boven henlieden.

  • 16De hoorder der redenen Gods spreekt, en die de wetenschap des Allerhoogsten weet; die het gezicht des Almachtigen ziet, die verrukt wordt, en wien de ogen ontdekt worden.

  • 20Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten.

  • 20Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.

  • 10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;

  • 6Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen.

  • 3Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn?

  • 9In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;

  • 7Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken;

  • 4Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;

  • 1En de Engel, Die met mij sprak, kwam weder; en Hij wekte mij op, gelijk een man, die van zijn slaap opgewekt wordt.

  • 20Haak niet naar dien nacht, als de volken van hun plaats opgenomen worden.

  • 17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;

  • 70%

    5Ik riep met mijn stem tot den HEERE, en Hij verhoorde mij van den berg Zijner heiligheid. Sela.

  • 2Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.

  • 20Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt: